Eiseres, aangemerkt als gedupeerde in de toeslagenaffaire, verzocht de minister om schulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister weigerde de overname van haar schulden aan ABN AMRO en het CAK. De rechtbank oordeelt dat de schuld aan ABN AMRO, een flexibel krediet afgesloten in 2004, niet voldoet aan het vereiste van opeisbaarheid binnen de referteperiode en daarom niet voor overname in aanmerking komt.
Ten aanzien van de schuld aan het CAK, een bestuursrechtelijke schuld voortvloeiend uit de Wet maatschappelijke ondersteuning, is onvoldoende vastgesteld of deze schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank acht het aannemelijk dat de schuld grotendeels opeisbaar was, mede omdat twee derde van de facturen vóór die datum zijn gefactureerd en de helft vóór die datum betaald had moeten zijn.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de afwijzing van de overname van de schuld aan het CAK betreft en bepaalt ambtshalve dat de minister deze schuld van € 114,- moet overnemen. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.