Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1],
1.[gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
1.De procedure
- de dagvaarding van 9 augustus 2024, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlage.
Rechtbank Rotterdam
Eisers, verhuurders, vorderden dat de huurovereenkomst met gedaagden per 31 augustus 2023 werd beëindigd, met ontruiming en betaling van achterstanden en kosten. De huurovereenkomst was aangegaan voor bepaalde tijd van 3 september 2021 tot 31 augustus 2023. De rechtbank oordeelde dat de aanzegging van het einde van de huurovereenkomst niet voldeed aan de eisen van artikel 7:271 BW Pro. De schriftelijke aanzegging moest ten minste drie maanden en minimaal één maand voor het einde van de huur schriftelijk aan het woonadres van de huurders worden gedaan.
Eisers stelden dat zij op 5 juni 2023 een aanzegging per e-mail naar twee huurders hadden gestuurd, maar er was geen bewijs van een schriftelijke aanzegging aan het woonadres. Bovendien was één e-mailadres onjuist en het andere niet meer in gebruik, waardoor de aanzegging de huurders niet tijdig had bereikt. De huurders betwistten ontvangst en stelden pas na 1 augustus 2023 van het einde van de huur op de hoogte te zijn geweest, wat buiten de termijn van artikel 7:271 BW Pro valt.
De rechtbank concludeerde dat de huurovereenkomst daardoor is verlengd voor onbepaalde tijd en wees de vorderingen af. Ook werden geen oneerlijke bepalingen getoetst omdat de vorderingen werden afgewezen. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten van gedaagden, vastgesteld op €595,-, en de proceskostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vorderingen tot beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming worden afgewezen wegens niet-tijdige schriftelijke aanzegging, waardoor de huurovereenkomst is verlengd voor onbepaalde tijd.