Eisers vorderen compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens annulering van hun vlucht van Rotterdam naar Marokko op 9 juli 2022, waarbij zij met vertraging aankwamen. Zij eisen € 3.838,36 aan compensatie en gemaakte kosten voor hotelovernachting en vervoer, plus buitengerechtelijke kosten en rente.
Gedaagde erkent de annulering en de vertraging, maar betwist dat compensatie verschuldigd is voor een minderjarig kind dat volgens haar gratis op schoot heeft gereisd. Ook stelt zij dat zij hotel en vervoer heeft aangeboden, maar eisers dit niet hebben geaccepteerd.
De rechtbank oordeelt dat het kind niet gratis heeft gereisd omdat een ticket is betaald. Verder is onvoldoende gebleken dat gedaagde haar verplichtingen heeft nagekomen om hotel en vervoer gratis aan te bieden. Eisers hebben daarom recht op compensatie en vergoeding van de gemaakte kosten. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf 16 juli 2022 en proceskosten.