AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Wijziging onderhoudsbijdrage wegens gewijzigde draagkracht van onderhoudsplichtige
De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage door de bewindvoerder van de man, die onder beschermingsbewind staat. De man en vrouw zijn ouders van meerdere minderjarige kinderen, waarvan de jongmeerderjarigen en de minderjarige bij de vrouw wonen. De man ontvangt sinds 2018 een bijstandsuitkering, wat zijn draagkracht aanzienlijk heeft verminderd.
De rechtbank stelde vast dat tussen partijen een overeenkomst bestond over de onderhoudsbijdrage, maar dat wijziging mogelijk is op grond van gewijzigde omstandigheden volgens artikel 1:401 lid 1 BWPro. De primaire wijziging was de toekenning van een bijstandsuitkering aan de man, waardoor zijn draagkracht afnam. De rechtbank nam het Trema-rapport als leidraad voor de minimumdraagkracht.
De rechtbank oordeelde dat de man geen onderhoudsplicht meer heeft ten aanzien van een van de jongmeerderjarigen die inmiddels zelfvoorzienend is. Voor de overige kinderen werd de onderhoudsbijdrage vastgesteld op €25 per maand per kind, ingaande op de datum van de beschikking. De rechtbank wees het verzoek om terugwerkende kracht af. Proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De onderhoudsbijdrage wordt gewijzigd naar €25 per maand per kind met ingang van de datum van de beschikking.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/685353 / FA RK 24-6569
Beschikking van 24 februari 2025 over de onderhoudsbijdrage
in de zaak van:
GNG BEWINDVOERING B.V., hierna: verzoeker,
gevestigd te Dordrecht,
in de hoedanigheid van de bewindvoerder van:
[naam man], hierna: de man,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. H.P. Schouten te Den Haag,
t e g e n
[naam vrouw], hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2] ,
en
[jongmeerderjarige 1],
en
[jongmeerderjarige 2],
hierna samen: de jongmeerderjarigen,
wonenden te [woonplaats 2] ,
hierna samen: verweerders.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van verzoeker, ingekomen op 4 september 2024;
het tijdens de mondelinge behandeling ingediende aanvullend/gewijzigd verzoek van verzoeker.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025. Daarbij zijn verschenen:
mr. M.P. Harten, waarnemend voor de bovengenoemde advocaat;
de vrouw en de jongmeerderjarigen.
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
2.De vaststaande feiten
2.1.
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
De man en de vrouw zijn ouders van de jongmeerderjarigen.
2.3.
De man en de vrouw zijn ook ouders van de minderjarige:
[minderjarige] ,geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .
2.4.
De jongmeerderjarigen en de minderjarige hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.5.
De man staat vanaf 19 april 2018 onder beschermingsbewind, waarbij verzoeker tot bewindvoerder is benoemd.
3.De beoordeling
3.1.
Onderhoudsbijdragen
3.1.1.
Verzoeker verzoekt – kort gezegd – de (vermeende) overeenkomst tussen de man en de vrouw tot het betalen van een bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging (hierna: onderhoudsbijdrage) van de minderjarige en de jongmeerderjarigen te wijzigen, in die zin dat de aan de man opgelegde (tussen partijen overeengekomen) onderhoudsbijdrage met ingang van 18 januari 2018, dan wel 19 april 2018, dan wel een nader door de rechtbank te bepalen datum, wordt bepaald op nihil.
3.1.2.
Verzoeker ontkent in het verzoekschrift dat er een overeenkomst tussen de man en de vrouw is gesloten over de onderhoudsbijdrage, wat ook de reden is dat in het verzoek tussen haakjes ‘vermeende’ staat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van verzoeker bevestigd dat de man het ouderschapsplan destijds wel heeft ondertekend. Daarmee staat vast dat tussen de man en de vrouw een overeenkomst bestaat tot het betalen van een onderhoudsbijdrage. Het verzoek strekt tot wijziging van die overeenkomst.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BWPro kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (art. 1:397 lid 1 BWPro). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.
3.1.4.
Verzoeker voert onweersproken aan dat de wijziging van omstandigheden primair gelegen is in de toekenning van een bijstandsuitkering aan de man in 2018, waardoor zijn inkomen en daarmee zijn draagkracht is veranderd. De rechtbank ziet hierin een wijziging van omstandigheden. Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
3.1.5.
Verzoeker doet een beroep op het ontbreken van draagkracht aan de zijde van de man, omdat hij een bijstandsuitkering ontvangt. De vrouw en de jongmeerderjarigen betwisten niet dat de man een bijstandsuitkering ontvangt. Zij voeren aan dat zij, ondanks dat zij al sinds 2016 geen onderhoudsbijdrage van de man hebben ontvangen, wel volharden in hun aanspraak daarop.
3.1.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [jongmeerderjarige 1] inmiddels fulltime werkt en zelf in zijn onderhoud kan voorzien. De rechtbank stelt dan ook vast dat op dit moment voor de man geen (verlengde) onderhoudsplicht meer geldt ten aanzien van [jongmeerderjarige 1] .
3.1.7.
Omdat de man een bijstandsuitkering ontvangt, is als gevolg daarvan zijn draagkracht de beperkende factor is. De rechtbank hoeft dan ook niet te beslissen over de behoefte van [jongmeerderjarige 2] en minderjarige en de draagkracht van de vrouw.
Uit de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport) volgt dat ook bij een niet-verzorgende ouder met een bijstandsuitkering een minimumdraagkracht wordt aangenomen. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat er aanleiding is om in deze zaak daarvan af te wijken. De rechtbank zal de onderhoudsbijdragen dan ook wijzigen en bepalen dat de man aan de vrouw moet voldoen € 25,- per maand en aan [jongmeerderjarige 2] € 25,- per maand.
Ingangsdatum
3.1.8.
Verzoeker heeft verzocht de ingangsdatum op 17 januari 2018 te bepalen. De rechtbank acht onvoldoende onderbouwd waarom de wijziging van de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht moet worden toegewezen. De rechtbank zal het verzoek toewijzen met ingang van de datum van deze beschikking.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4.Beslissing
De rechtbank:
4.1.
wijzigt de in het ouderschapsplan van 8 juli 2016 opgenomen onderhoudsbijdragen en bepaalt dat de man met ingang van heden aan de vrouw moet voldoen € 25,- per maand en aan [jongmeerderjarige 2] € 25,- per maand;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van H.J. de Wit, griffier, op 24 februari 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.