Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 16 februari 2024, met bijlagen;
- het antwoord;
- de akte van Havensteder van 12 september 2024;
- de akte van Havensteder van 16 december 2024.
Rechtbank Rotterdam
De huurder, woonachtig in Capelle aan den IJssel, huurt sinds 2011 een woning van Stichting Havensteder. Er is een huurachterstand ontstaan die deels is ingelopen na dagvaarding. Havensteder trekt de vordering tot ontbinding en ontruiming in en eist alleen betaling van het restant van de huurachterstand en de lopende huur.
De kantonrechter stelt vast dat de huurachterstand tot en met maart 2025 € 491,36 bedraagt, welke niet is weersproken door de huurder. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag plus de wettelijke rente en tot het betalen van de lopende huur vanaf 1 april 2025.
De gevorderde incassokosten worden afgewezen omdat de huurvoorwaarden oneerlijke bepalingen bevatten die afwijken van de wettelijke regeling in artikel 6:96 BW Pro. De bepalingen geven de verhuurder onterecht recht op buitengerechtelijke kosten zonder de wettelijk vereiste voorwaarden te respecteren.
Verder zijn geen andere oneerlijke bepalingen vastgesteld en is de huurder veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand met rente en lopende huur, incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijke bepalingen.