Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1],
1.De procedure
- de dagvaarding van 30 juli 2024, met bijlagen;
- het antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met bijlagen.
- de akte van [eiser], met bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een huurgeschil tussen verhuurder en huurders die sinds 1 januari 2023 een woning huren voor €1.550 per maand. De huurders hebben een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd van €20.050 tot en met januari 2025. De verhuurder vordert betaling van deze achterstand en ontbinding van de huurovereenkomst.
De huurders stellen een huurprijsvermindering te vorderen wegens vermeende gebreken aan de woning. Deze vordering wordt afgewezen omdat de gebreken volgens een inspectie van de gemeente Rotterdam in augustus 2024 zijn verholpen en er geen wezenlijke beperking van het huurgenot meer is. De kantonrechter acht de huurachterstand ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden, mede gelet op het feit dat de huurders sinds december 2023 nauwelijks huur hebben betaald en de achterstand na dagvaarding is opgelopen.
Hoewel rekening is gehouden met de belangen van de minderjarige kinderen van de huurders conform artikel 3 lid 1 IVRK Pro, weegt het belang van de verhuurder om over het gehuurde te kunnen beschikken zwaarder. De huurders worden veroordeeld tot betaling van de achterstand, ontruiming binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, en betaling van een gebruiksvergoeding tot de ontruiming. Incassokosten en rente worden afgewezen vanwege een oneerlijk boetebeding in de huurovereenkomst.
De proceskosten van €2.337,30 worden aan de huurders opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd ondanks eventuele hoger beroep procedures.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, huurders moeten €20.050 betalen, de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding voldoen.