Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:4107

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
1 april 2025
Zaaknummer
C/10/694980 / JE RK 25-386
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking tot machtiging uithuisplaatsing minderjarige in jeugdhulpaccommodatie

De gecertificeerde instelling jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De minderjarige verblijft momenteel op een hybride groep van Schakenbosch na een eerdere gesloten plaatsing vanwege zelfbepalend gedrag en onveilige situaties.

De moeder, belast met het ouderlijk gezag, stemt in met het verzoek en benadrukt de noodzaak van een tussenstap via een open groep voordat terugplaatsing mogelijk is. De vader was niet aanwezig bij de zitting. De kinderrechter heeft de minderjarige gehoord met behulp van een tolk Papiamento.

De kinderrechter constateert een positieve ontwikkeling bij de minderjarige, waaronder verbeterd gedrag, schoolbezoek en het hervatten van logeermomenten bij de moeder. Toch is terugplaatsing nog niet in het belang van de minderjarige vanwege trauma’s, hechtingsproblematiek en de noodzaak van verdere hulpverlening.

De GI is op zoek naar een passende open groepsplek in de regio Rotterdam om stapsgewijs terugplaatsing te realiseren. De kinderrechter acht de machtiging noodzakelijk en verleent deze voor de duur van de ondertoezichtstelling tot 10 september 2025, met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verleend tot 10 september 2025, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/694980 / JE RK 25-386
Datum uitspraak: 6 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. E.A. Blok, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt aan als informant:
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI van 25 februari 2025 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 1].
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar
wel Papiamento, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 2], tolk Papiamento. De tolk Papiamento heeft, alvorens taak aan te vangen, op de bij wet voorgeschreven wijze, de eed afgelegd dat zij haar taak naar geweten zal vervullen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft op een hybride groep van Schakenbosch.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 september 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 10 september 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 december 2024 een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 10 december 2024 tot 10 maart 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek en licht het ter zitting als volgt toe. Vorig jaar is gezamenlijk het besluit genomen dat [minderjarige] eerst de stap naar een open instelling zal maken alvorens zij teruggeplaatst wordt bij de moeder, zodat zij kan oefenen met hetgeen zij gedurende haar gesloten plaatsing heeft geleerd. De GI is op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] op een open groep waar zij op de korte termijn naartoe kan. De GI zoekt in de regio Rotterdam omdat de moeder hier woont en [minderjarige] hier naar school gaat. Totdat een passende vervolgplek is gevonden, kan [minderjarige] bij Schakenbosch blijven. Momenteel is de GI in gesprek met Pameijer en Prokino. De afgelopen periode is gezien dat [minderjarige] het goed doet met de structuur die haar wordt geboden en haar gedrag hierdoor is verbeterd. [minderjarige] komt haar afspraken steeds beter na en zij volgt muziektherapie. Ook is de relatie en het contact tussen [minderjarige] en de moeder verbetert. Hiervoor heeft de GI ambulante hulpverlening ingezet. De GI was ook voornemens hulpverlening vanuit ASVZ in te zetten, maar de moeder stond hier niet voor open omdat zij al een MST-traject had doorlopen. De GI acht het belangrijk dat [minderjarige] voorlopig doordeweeks structuur behoudt. Daarnaast kampt [minderjarige] nog met trauma’s, hechtingsproblematiek en mogelijk PTSS. Hiervoor moet eerst hulpverlening ingezet worden, voordat een thuisplaatsing aan de orde is. Ook moet de moeder nog leren beter aan te sluiten bij [minderjarige]. De komende periode is het belangrijk dat [minderjarige] naar school blijft gaan, een positieve vrijetijdsbesteding heeft en weer een gestructureerd leven leidt, zodat [minderjarige] daarna stapsgewijs bij de moeder teruggeplaatst kan worden. Wel betwijfelt de GI of de verzochte verlenging van zes maanden hiervoor voldoende is. De GI bevestigt dat de toets van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) niet is aangevraagd. Indien nodig zal de GI de Raad alsnog verzoeken om een advies uit te brengen.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder wordt ter zitting kenbaar gemaakt dat zij het eens is met het verzoek van de GI. De moeder wil graag dat [minderjarige] weer thuis komt wonen, maar zij ziet ook dat een tussenstap op een open groep noodzakelijk is. [minderjarige] heeft nog moeite met haar schoolgang en de moeder is bang dat er confrontaties tussen hen zullen ontstaan als [minderjarige] nu thuis komt wonen. De moeder hoopt dat wanneer [minderjarige] stapsgewijs thuis wordt geplaatst, deze confrontaties voorkomen kunnen worden. Wel ziet de moeder de positieve lijn die [minderjarige] inzet en zij is blij dat het contact tussen hen nu goed verloopt. De GI is op zoek naar een vervolgplek voor [minderjarige], maar de voorkeur van de moeder ligt bij Schakenbosch. Dit omdat de moeder met deze plek bekend is en omdat een overplaatsing mogelijk tot onrust kan leiden. Nu de moeder en de GI het eens zijn over de te nemen stappen, achten de moeder en haar advocaat het niet nodig dat de Raad alsnog om een toets van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing gevraagd wordt.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
Op 6 maart 2024 is [minderjarige] op een gesloten groep van Schakenbosch geplaatst nadat zij langere tijd zelfbepalend gedrag vertoonde, regelmatig wegliep en zichzelf hierbij in onveilige situaties bracht. Bij [minderjarige] is sprake van complexe problematiek. Sinds het einde van 2024 is bij [minderjarige] een positieve verandering zichtbaar. [minderjarige] houdt zich aan de afspraken, mist bijna geen lessen meer op school en loopt sinds kort stage bij de Hema. Ook heeft [minderjarige] haar telefoon weer volledig in beheer, volgt zij muziektherapie en accepteert het gezag van de begeleiding en de moeder. Daarnaast is [minderjarige] al langere tijd niet meer weggelopen en heeft zij niet meer geblowd. De logeermomenten bij de moeder zijn opnieuw opgestart en uitgebreid. [minderjarige] komt op tijd terug van verlof. Deze positieve ontwikkeling heeft ervoor gezorgd dat [minderjarige] inmiddels op een hybride groep van Schakenbosch verblijft.
5.3.
De kinderrechter is het met de GI en de moeder eens dat het belangrijk is dat [minderjarige] de komende periode wordt geholpen om deze positieve ontwikkeling door te zetten en vol te houden. Gebleken is dat [minderjarige] profiteert van de structuur die haar bij Schakenbosch geboden wordt. [minderjarige] woont al sinds mei 2022 niet meer thuis en er is een hoop gebeurd tussen [minderjarige] en de moeder. Een terugplaatsing bij de moeder is nog niet in het belang van [minderjarige]. De komende periode zal [minderjarige] eerst de stap maken naar een open groep waar zij verder kan leren omgaan met de vrijheden die daarbij horen. De GI is op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] in de regio Rotterdam, zodat er vanaf die plek stapsgewijs gewerkt kan worden aan terugplaatsing bij de moeder. Het is belangrijk dat [minderjarige] de komende periode naar school en stage blijft gaan en zich aan de afspraken houdt. Er dient passende hulpverlening voor [minderjarige] te worden ingezet om te leren omgaan met de ingrijpende gebeurtenissen die zij heeft meegemaakt. Daarnaast is het van belang dat [minderjarige] in de weekenden en vakanties naar de moeder blijft gaan en de moeder en [minderjarige] zich inzetten om hun relatie verder te versterken.
5.4.
Gelet op het voorgaande en nu geen verweer wordt gevoerd tegen het verlenen van de machtiging uithuisplaatsing, acht de kinderrechter het op dit moment niet noodzakelijk om de GI alsnog een toets van de Raad als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, BW, te laten aanvragen.
5.5.
De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 10 september 2025.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 6 maart 2025 tot 10 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2025 door mr. S. Riege, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.