ECLI:NL:RBROT:2025:4156
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beklag tegen beslag op geldbedrag in verband met Iers strafrechtelijk onderzoek
Op 22 januari 2018 is beslag gelegd op een geldbedrag van €270.150,- in een strafrechtelijk onderzoek tegen klager wegens verdenking van overtreding van de Opiumwet en witwassen. Na seponering van de zaak in 2021 werd het beslag in 2023 door de rechtbank teruggegeven, maar het geld is niet vrijgegeven vanwege een nieuw Iers strafrechtelijk onderzoek.
Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Ierse autoriteiten is op 8 augustus 2024 opnieuw beslag gelegd op hetzelfde bedrag. Klager klaagt tegen het beslag en vordert teruggave, stellende dat het strafvorderlijk belang ontbreekt en dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig handelt door het geld niet terug te geven.
De rechtbank oordeelt dat het beslag rechtmatig is omdat het is gelegd op basis van een geldig rechtshulpverzoek en voldoet aan de vereisten van dubbele strafbaarheid en wettelijke bepalingen. Er zijn geen belemmeringen of weigeringsgronden aanwezig. Het feit dat het OM de eerdere last tot teruggave niet heeft uitgevoerd raakt de rechtmatigheid van het huidige beslag niet.
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond en bevestigt het voortduren van het beslag in het belang van het Ierse strafrechtelijk onderzoek. Klager kan tegen deze beslissing beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op het geldbedrag wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.