Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 17 januari 2025 en de daarin genoemde stukken;
- de akte van Woonplus van 13 februari 2025, met bijlage.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert Stichting Woonplus betaling van een huurachterstand van huurders die van juni tot november 2023 een woning huurden. Woonplus heeft haar eis verminderd door af te zien van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente en heeft reeds verrichte betalingen in mindering gebracht.
De kantonrechter wijst de vordering van Woonplus toe en veroordeelt de huurders hoofdelijk tot betaling van €3.033,83. Tevens worden zij veroordeeld in de proceskosten, die zijn begroot op €1.278,34. De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zodat het direct kan worden uitgevoerd.
De huurders hebben geen verweer gevoerd en zijn niet in de gelegenheid gesteld om te reageren, maar dit schaadt hun belangen niet omdat Woonplus haar eis heeft verminderd en een betalingsregeling is overeengekomen. De proceskosten zijn toegekend op grond van artikel 237 Rv Pro en de hoofdelijkheid op grond van artikel 6:7 BW Pro.
Uitkomst: De huurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €3.033,83 huurachterstand en €1.278,34 proceskosten.