ECLI:NL:RBROT:2025:4245

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 maart 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
FT RK 25/281 en FT RK 25/282
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.P. van Eeden-van Harskamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b FwArt. 287 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium bij ontruiming huurwoning

Verzoekster heeft op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om uitvoering van een vonnis tot ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De rechtbank constateert een bedreigende situatie nu de ontruiming gepland stond op 25 februari 2025.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de tijdige betaling van de huurtermijnen sinds november 2024, inclusief de huur van maart 2025, en de opstart van budgetbeheer, acht de rechtbank het aannemelijk dat de huur ook in de toekomst tijdig zal worden voldaan.

De voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen voor een periode van zes maanden, met de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid een nieuw verzoek in te dienen.

De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening en schuldhulpverlening moet uiterlijk twee weken voor afloop verslag uitbrengen. De uitspraak is gedaan door rechter M.P. van Eeden-van Harskamp op 20 maart 2025.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 20 maart 2025
[verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 19 februari 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 20 februari 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 12 maart 2025.
Ter zitting van 12 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlener).
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster ontvangt inkomen uit arbeid van circa € 1.894,-- per maand. Daarnaast ontvangt verzoekster huur- en zorgtoeslag en kindgebondenbudget. De huur bedraagt € 552,32 per maand. Vanaf november 2024 heeft verzoekster de lopende huurtermijnen voldaan. Verzoekster heeft de huur van maart 2025 – tijdig – op 28 februari 2025 betaald. Daarnaast zal er budgetbeheer worden opgestart, waardoor ook voldoende wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden betaald.

3.Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 30 januari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 25 februari 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 december 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen vanaf november 2024 zijn voldaan. De huur van maart 2025 is door verzoekster op 28 februari 2025 tijdig voldaan. Ook zal er budgetbeheer worden opgestart, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen ook tijdig betaald zullen worden. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 12 december 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
20 februari 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025.