Verzoeker heeft op 1 november 2024 een verzoek ingediend ex artikel 287b Faillissementswet tot voorlopige voorziening om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 19 juni 2024. Verzoeker staat sinds 20 december 2024 onder beschermingsbewind en ontvangt voldoende inkomsten om de huur te betalen. De huur van december 2024 en januari 2025 is reeds voldaan.
Verweerster, de verhuurder, betoogt dat de huurachterstand is opgelopen en dat haar belang zwaarder weegt. Zij is echter niet ter zitting verschenen. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie en dat het belang van verzoeker, die een minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, zwaarder weegt dan dat van verweerster.
De rechtbank wijst het moratorium toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens verklaart zij verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.