De rechtbank Rotterdam heeft op 5 maart 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte die werd beschuldigd van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden cocaïne en metamfetamine. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen verklaard medeplegen van het bezit van 50,114.50 gram cocaïne in sporttassen in een woning te Rotterdam.
De rechtbank sprak de verdachte echter vrij van medeplegen van het bezit van 20 kilogram cocaïne en metamfetamine die in een afgesloten kast waren aangetroffen. De bewijswaardering was gebaseerd op DNA-sporen, verklaringen en de zichtbaarheid van de drugs. De verdachte ontkende kennis van de drugs, maar dit werd verworpen.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de bijdrage aan het criminele circuit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het ontbreken van een strafblad en medische verklaringen over psychische aandoeningen. De verdachte was niet verschenen op de zitting.
Gezien de ernst van het feit legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 21 maanden op, met aftrek van voorarrest. De straf weerspiegelt de maatschappelijke impact van drugshandel en het ontbreken van verzachtende omstandigheden die strafuitsluiting rechtvaardigen.