De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige voor negen maanden. De moeder en de minderjarige verblijven sinds twee maanden vrijwillig in het babyhuis, waar zij positieve ontwikkelingen doormaken. De Raad benadrukte de noodzaak van gedwongen hulpverlening vanwege eerdere afwijzing van hulp door de moeder.
De moeder stemde in met de ondertoezichtstelling maar verzet zich tegen de duur van negen maanden, pleitend voor zes maanden en vraagt om duidelijkheid over de veiligheidszorgen. De GI bevestigde de positieve ontwikkeling en het belang van ondersteuning bij de overgang naar zelfstandigheid.
De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling is voldaan, maar verlengde deze voor zes maanden in plaats van negen vanwege de positieve medewerking en motivatie van de moeder. De machtiging tot uithuisplaatsing werd afgewezen omdat de veiligheid van de minderjarige op dit moment is gewaarborgd door het vrijwillige verblijf in het babyhuis en de goede samenwerking van de moeder.
De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.