Op 5 december 2024 trof de politie in een opslagbox in Rotterdam 12 dozen met ongeveer 120 kilogram hennep aan. Verdachte en een medeverdachte waren aanwezig bij het verplaatsen van deze dozen. De rechtbank oordeelde dat verdachte zich bewust moest zijn geweest van de hennep vanwege de sterke geur en hoeveelheid, en dat hij beschikkingsmacht had tijdens het verplaatsen. Verdachte had de klus aanvaard en medeverdachte gevraagd om te helpen, wat wijst op bewuste en nauwe samenwerking, oftewel medeplegen.
De verdediging stelde dat verdachte geen wetenschap had van de hennep, maar dit verweer werd verworpen. Er was wettig en overtuigend bewijs dat verdachte opzettelijk de hennep aanwezig had gehad. Verdachte had geen strafblad en had een beperkte maar grotere rol dan de medeverdachte.
Gezien de ernst van het feit en de maatschappelijke impact van drugshandel werd een gevangenisstraf opgelegd van 8 maanden met aftrek van voorarrest. De straf is passend geacht gelet op soortgelijke zaken en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank sprak verdachte vrij van andere tenlasteleggingen en bepaalde dat de straf volledig binnen de penitentiaire inrichting wordt uitgevoerd, met mogelijkheid tot deelname aan een penitentiair programma.