ECLI:NL:RBROT:2025:4422

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 april 2025
Publicatiedatum
10 april 2025
Zaaknummer
ROT 24/3676
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wsg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadefonds Geweldsmisdrijven moet aanvraag na termijnoverschrijding alsnog inhoudelijk behandelen

Eiser diende een aanvraag in bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven voor een uitkering op grond van de Wet Schadefonds Geweldsmisdrijven, ruim 14 jaar na het misdrijf. Het Schadefonds wees de aanvraag af wegens overschrijding van de wettelijke termijn van tien jaar en verklaarde het bezwaar ongegrond.

Eiser stelde dat hij door psychische overmacht niet eerder een aanvraag kon indienen. Zijn moeder, tevens bewindvoerder, was niet eerder op de hoogte van het Schadefonds. De rechtbank nam verklaringen van de huisarts en de moeder van eiser in overweging, waaruit bleek dat eiser leed aan ernstige psychiatrische aandoeningen en langdurig opgenomen was.

De rechtbank oordeelde dat eiser door zijn psychische toestand niet in staat was binnen de termijn een aanvraag in te dienen en dat het Schadefonds de aanvraag daarom ten onrechte niet inhoudelijk heeft behandeld. Het feit dat de moeder als bewindvoerder eerder een aanvraag had kunnen doen, deed hieraan niet af.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het Schadefonds binnen zes weken een nieuwe beslissing moet nemen, waarbij rekening gehouden moet worden met de psychische overmacht. Tevens werd het griffierecht aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het Schadefonds moet de aanvraag van eiser alsnog inhoudelijk behandelen vanwege psychische overmacht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/3676

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: [naam]),
en
de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder (hierna: het Schadefonds)
(gemachtigde: mr. M.E.H. Vos-Nijp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eiser. Eiser heeft een uitkering aangevraagd uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven op grond van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). Eiser is het niet eens met het niet in behandeling nemen van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Schadefonds de aanvraag ten onrechte niet inhoudelijk heeft behandeld
.Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het Schadefonds heeft een aanvraag van eiser voor een uitkering met een besluit van 3 oktober 2023 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 1 maart 2024 op het bezwaar van eiser, is het Schadefonds bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Schadefonds heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Schadefonds.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 14 september 2023 een aanvraag gedaan voor een uitkering uit het Schadefonds. Hij gaf daarbij aan dat hij in de periode tussen maart 2009 en juli 2009 slachtoffer werd van seksueel misbruik. Het Schadefonds heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat de aanvraag niet binnen tien jaar na het misdrijf is ingediend. Het Schadefonds heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en heeft het bezwaar ongegrond verklaard en is bij de afwijzing gebleven.
Heeft het Schadefonds de aanvraag van eiser terecht afgewezen?
4. Op grond van artikel 7 van Pro de Wsg moet een aanvraag binnen tien jaar na de dag van het misdrijf worden ingediend. Een aanvraag die is gedaan na deze termijn wordt toch behandeld indien blijkt dat de aanvraag zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.
4.1.
Eiser voert aan dat hij de aanvraag door psychische overmacht niet eerder heeft kunnen indienen. Zijn moeder, en gemachtigde, was mentor en bewindvoerder. Zij heeft jarenlang geprobeerd om aangifte te doen en dit is haar in 2021 gelukt. Zij sprak vervolgens met een medewerker van Slachtofferhulp en een advocaat over wat eiser was overkomen. Zijn moeder wist pas in 2023 van het bestaan van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
4.2.
Het Schadefonds stelt zich op het standpunt dat de gestelde psychische overmacht niet aannemelijk is gemaakt door eiser omdat hij geen gegevens van behandelaren heeft overgelegd en nu niet onder behandeling is. Verder had de moeder van eiser als bewindvoerder ook eerder een aanvraag kunnen indienen. Het feit dat zij niet eerder bekend was met het bestaan van het Schadefonds, levert geen verschoonbaarheid op volgens het Schadefonds.
4.3.
De rechtbank volgt het Schadefonds niet in zijn standpunt. In de overgelegde verklaring van de huisarts staat dat eiser lijdt aan een bipolaire stemmingsstoornis en chronisch recidiverende psychosen met wisselende agressie in het kader van schizofrenie. Om die reden is eiser zeer langdurig opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis, waar het zeer moeilijk bleek om hem op geschikte psychiatrische medicatie in te stellen. Eiser is in 2021, op hun uitdrukkelijke verzoek, bij zijn ouders gaan wonen, waarbij de ambulante psychiatrische zorg uiteindelijk niet geregeld kon worden, maar hij wel psychiatrische medicatie bleef gebruiken. De rechtbank heeft, mede in het licht van de andere stukken in het dossier en de uitgebreide verklaring van de moeder van eiser ter zitting, geen aanleiding om aan deze door de huisarts verstrekte informatie te twijfelen en is van oordeel dat eiser hiermee al voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij psychisch niet in staat was om in de periode van juli 2009 tot juli 2019 een aanvraag bij het Schadefonds in te dienen. Het Schadefonds heeft daarom ten onrechte besloten dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is en heeft ten onrechte geen inhoudelijke beslissing op de aanvraag genomen. Dat de moeder van eiser als bewindvoerder mogelijk eerder een aanvraag had kunnen indienen, doet niet aan dit oordeel af. Eiser stond niet onder curatele en was dus wel bevoegd maar psychisch niet in staat om zelfstandig een aanvraag in te dienen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Dat betekent dat het Schadefonds alsnog een inhoudelijke beslissing op de aanvraag moet nemen in een nieuw te nemen besluit op bezwaar. In dat besluit zal het Schadefonds moeten beslissen over de vraag of eiser, gelet op de overgelegde en mogelijk nog over te leggen informatie, recht heeft op een uitkering. Eiser krijgt het griffierecht van het Schadefonds vergoed. Niet gebleken is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het Schadefonds binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser moet nemen, waarbij de beslissing in deze uitspraak moet worden gevolgd;
  • bepaalt dat het Schadefonds het door eiser betaalde griffierecht (€ 187,-) aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.