ECLI:NL:RBROT:2025:4460

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 april 2025
Publicatiedatum
11 april 2025
Zaaknummer
11547411 VV EXPL 25-97
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:92 BWArt. 6:94 BWArt. 6:119 BWArt. 7:225 BWArt. 30.1 Algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming bedrijfsruimte en betaling huurachterstand toegewezen in kort geding

In deze kort geding procedure eist de eisende partij ontruiming van een bedrijfsruimte en betaling van een aanzienlijke huurachterstand door de gedaagde, die sinds juli 2021 huurt. De huurachterstand bedroeg bij dagvaarding €7.750 en werd tijdens de zitting vermeerderd met de huur over maart 2025, waardoor het totaal op €9.100 kwam.

Gedaagde erkent de achterstand en wijst op persoonlijke omstandigheden, maar betwist de hoogte van de boetes. De kantonrechter oordeelt dat er een spoedeisend belang is vanwege de oplopende achterstand en het belang van de verhuurder om kosten te kunnen dekken.

De ontruiming wordt toegewezen met een termijn van veertien dagen na betekening. De huurachterstand moet worden voldaan, maar de boetes worden gematigd van €4.200 naar €2.100, omdat het oorspronkelijke boetebedrag disproportioneel is. Daarnaast worden buitengerechtelijke kosten en proceskosten aan de gedaagde opgelegd, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de ontruiming toe en veroordeelt gedaagde tot betaling van €12.677,50 met gematigde boetes en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11547411 VV EXPL 25-97
datum uitspraak: 4 april 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

woonplaats: Den Haag,
2. [eiser 2],
woonplaats: Den Haag,
eisers,
gemachtigde: mr. M. Azdoufali,
tegen
[gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: Schiedam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De eisers worden hierna ‘ [eisende partij] ’ genoemd en gedaagde wordt hierna ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 4 maart 2025, met bijlagen.
1.2.
Op 21 maart 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de gemachtigde van [eisende partij] aanwezig. Vijf minuten nadat de zitting is begonnen, is [gedaagde] verschenen.

2.De beoordeling

Waar gaat het om?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 7 juli 2021 een bedrijfsruimte van [eisende partij] De huur is nu € 1.550,00 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. [gedaagde] heeft vanaf januari 2024 de huur gedeeltelijk betaald. Sinds augustus 2024 heeft [gedaagde] de huur grotendeels niet voldaan. Ten tijde van de dagvaarding was de achterstand € 7.750,00. [eisende partij] eist dat de bedrijfsruimte wordt ontruimd en de huurachterstand wordt betaald. Daarnaast eist [eisende partij] dat [gedaagde] verbeurde boetes en de redelijk gemaakte kosten voor het instellen van een ontruimingsvordering moet betalen.
2.2.
Ter zitting heeft [eisende partij] zijn eis vermeerderd door ook de huur over de maand maart 2025 te eisen, omdat deze niet is betaald door [gedaagde] . [eisende partij] eist dat [gedaagde] in totaal € 9.100,00 aan huurachterstand moet betalen.
2.3.
[gedaagde] erkent de huurachterstand. Hij heeft benoemd dat de huur door persoonlijke omstandigheden niet is betaald. Tijdens de zitting heeft hij verder aangegeven dat hij de boetes erg hoog vindt.
2.4.
De kantonrechter wijst de ontruiming en de huurachterstand toe. De boetes en kosten worden gedeeltelijk toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Spoedeisend belang
2.5.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eisende partij] heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
2.6.
De kantonrechter vindt dat een spoedeisend belang aanwezig is, omdat er sprake is van een oplopende huurachterstand en [eisende partij] voldoende heeft gesteld dat de kosten die hij maakt nu niet vanuit de huuropbrengsten kunnen worden betaald.
[gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen
2.7.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de bedrijfsruimte moet ontruimen. De huurachterstand is op het moment van de zitting € 9.100,00. Dit is ongeveer een achterstand van meer dan zes maanden. De kantonrechter overweegt dat het aannemelijk is dat een rechter in een gewone procedure zal oordelen dat er voldoende grond is om de huurovereenkomst te ontbinden. De ontruiming wordt dan ook toegewezen. De bedrijfsruimte moet binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis worden ontruimd.
2.8.
De kantonrechter machtigt [eisende partij] niet om de bedrijfsruimte zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro).
[gedaagde] moet € 9.100,00 aan [eisende partij] betalen
2.9.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de huurachterstand van € 9.100,00 moet betalen. [eisende partij] heeft voldoende gesteld dat dit de huurachterstand is en [gedaagde] heeft dit niet betwist.
2.10.
De wettelijke rente die over de huurachterstand wordt gevorderd, wordt afgewezen. Op grond van artikel 6:92 lid 2 BW Pro treedt de gevorderde boete in de plaats van de wettelijke rente.
De kantonrechter matigt de boete
2.11.
De kantonrechter matigt de geëiste boetes, omdat de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. [gedaagde] heeft ter zitting aangegeven dat hij de boetes hoog vindt. De kantonrechter begrijpt deze opmerking als een verzoek tot matiging van de boetes. Op grond van artikel 6:94 BW Pro kan de kantonrechter een boete matigen als de billijkheid dit eist.
2.12.
In artikel 25.3 van de Algemene bepalingen is opgenomen dat [gedaagde] een boete van 1% per maand met een minimum van € 300,00 over de verschuldigde huurprijs moet betalen als hij te laat betaalt. Op grond van deze bepaling zou [gedaagde] nu € 4.200,00 aan boetes moeten betalen. Het boetebedrag wijkt ver af van het bedrag dat [gedaagde] zou moeten betalen als [eisende partij] aanspraak zouden maken op de wettelijke handelsrente. Daarnaast is het opgenomen minimum van € 300,00 per maand het twintigvoudige van 1% van de nu geldende huurprijs. De kantonrechter heeft oog voor het belang van [eisende partij] om een financiële prikkel op te nemen die ervoor zorgt dat [gedaagde] op tijd betaalt en vindt een bedrag van € 150,00 per maand in dit kader redelijk. Dit bedrag is ongeveer 10% van de geldende huurprijs en verhoudt zich beter tot de hoogte van de wettelijke handelsrente.
2.13.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij veertien maanden niet of te laat heeft betaald, waardoor hij 14 * € 150,00 = € 2.100,00 aan verbeurde boetes moet betalen aan [eisende partij] De rente die hierover wordt gevorderd vanaf het moment van dagvaarden, wordt toegewezen.
De kantonrechter wijst € 1.477,50 aan buitengerechtelijke kosten toe
2.14.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] € 1.477,50 aan buitengerechtelijke kosten moet betalen aan [eisende partij] Op grond van artikel 30.1 van de algemene bepalingen worden de buitengerechtelijke kosten begroot op 15% van de hoofdsom. [eisende partij] heeft voldoende gesteld dat de buitengerechtelijke kosten worden gevorderd over de hoofdsom die bestaat uit de huurachterstand tot en met februari 2025 (€ 7.750,00) en de verbeurde boetes (€ 2.100,00). Naar aanleiding van wat hiervoor is overwogen, moeten de buitengerechtelijke kosten worden begroot op 15% van € 9.850,00.
2.15.
De kantonrechter wijst de rente over de buitengerechtelijke kosten toe vanaf de dag der dagvaarding.
[gedaagde] moet een gebruiksvergoeding betalen
2.16.
[gedaagde] moet tot en met de dag van de ontruiming een gebruiksvergoeding van € 1.550,00 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). Hij heeft dit ook niet betwist.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.17.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eisende partij] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.081,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.18.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eisende partij] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte aan [adres] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eisende partij] te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eisende partij] te betalen € 12.677,50 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 3.577,50 vanaf 4 maart 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eisende partij] worden begroot op € 1.081,14 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
64363