ECLI:NL:RBROT:2025:4489
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking maatwerkvoorziening wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding en terugvordering
Eiseres ontving tussen 2013 en 2021 een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp op grond van de Wmo. Na een anonieme melding onderzocht verweerder de rechtmatigheid en concludeerde dat eiseres vanaf 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner zonder dit te melden. Hierdoor werd de maatwerkvoorziening ingetrokken en het bedrag van € 3.027,90 teruggevorderd.
Eiseres betwistte de gezamenlijke huishouding en stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege burenverklaringen en de aanwezigheid van haar dochter. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van eiseres zelf, buren en zorgverleners voldoende bewijs leverden voor een gezamenlijke huishouding. Ook de waterstanden en het onjuiste woonadres van de partner ondersteunden dit.
De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht de maatwerkvoorziening introk en het bedrag terugvorderde. De betwisting van het aantal gedeclareerde uren was onvoldoende onderbouwd. Daarnaast werd een schadevergoeding van € 1.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn door de Staat, evenals een vergoeding van € 226,75 voor proceskosten.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg het griffierecht niet terug. De uitspraak werd gedaan door rechter P.G.J. van den Berg op 15 april 2025.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de maatwerkvoorziening met terugvordering blijft gehandhaafd.