Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser sub 1] ,
[gedaagde sub 3],
1.De procedure
- de dagvaarding van 12 november 2024; en
- het tegen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] verleende verstek.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure vorderen eiser sub 1 en eiser sub 2 een vrijwaringsvonnis tegen gedaagde sub 1, gedaagde sub 2 en gedaagde sub 3. De vorderingen zijn gerelateerd aan een hoofdzaak waarin eiser sub 1 en eiser sub 2 tegenover NLR Beheer B.V. staan. Eiser sub 1 verzoekt hoofdelijk betaling door gedaagden van bedragen waarvoor hij in de hoofdzaak wordt veroordeeld, en vrijwaring tegen regresvorderingen van gedaagden.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van eiser sub 1 in deze vrijwaringsprocedure ongegrond zijn en wijst deze af. Voor eiser sub 2 worden de vorderingen gedeeltelijk toegewezen: gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan eiser sub 2 van het bedrag dat eiser sub 2 in de hoofdzaak aan NLR betaalt, vermeerderd met wettelijke rente conform artikel 6:119 BW Pro. De rechtbank wijst de vordering tot wettelijke handelsrente af.
Verder worden gedaagden veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van eiser sub 2. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Gedaagden zijn hoofdelijk aansprakelijk, zodat betaling door één gedaagde bevrijdend werkt voor de anderen.
Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan eiser sub 2 van het bedrag dat eiser sub 2 aan NLR betaalt, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.