De rechtbank Rotterdam behandelde op 19 maart 2025 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het aanwezig hebben van circa 14.847 gram cocaïne en een vuurwapen in een woning te Rotterdam. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 2,5 jaar, stellende dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de drugs en het wapen.
De verdediging voerde aan dat verdachte geen wetenschap of beschikkingsmacht had over de in een afgesloten keukenkast aangetroffen pakketten cocaïne en het vuurwapen. De rechtbank onderzocht het bewijs, waaronder de vondst van de cocaïne in een afgesloten kast zonder sleutel bij verdachte, de aanwezigheid van stickervellen in een tv-meubel en DNA-sporen van een medeverdachte op een boodschappentas.
De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne of dat hij daarover kon beschikken. Ook was niet bewezen dat verdachte het vuurwapen bij zich had. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide tenlastegelegde feiten.