Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:470

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 januari 2025
Publicatiedatum
16 januari 2025
Zaaknummer
83-355088-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 WEDArt. 10 WEDSanctiewet 1977
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige maatregel op grond van de Wet op de economische delicten

De officier van justitie had op 23 december 2024 een voorlopige maatregel opgelegd aan de verdachte op grond van artikel 28 van Pro de Wet op de economische delicten (WED), waarbij de verdachte zich moest onthouden van het toegang bieden aan derden tot de betaalplatformen Boosty en DonationsAlert voor het werven van donaties die in strijd zijn met de Sanctiewet 1977.

De verdachte verzocht op 9 januari 2025 via een verzoekschrift om opheffing of wijziging van deze maatregel, stellende dat zij geen beschikkingsmacht meer heeft over de betaalplatformen omdat zij de aandelen van het bedrijf dat deze exploiteert had verkocht. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de feitelijke zeggenschap van de verdachte niet was vervallen vanwege de voorwaarden in de aandeelhoudersovereenkomst.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte nog steeds feitelijke beschikkingsmacht heeft, mede door de pandakte en de afspraken over stemrechten en personeel. Tevens werd geoordeeld dat de regeling niet in strijd is met de WED en dat het belang van de bescherming van de sanctiewetvoorschriften onmiddellijke handhaving vereist.

Daarom werd het verzoek tot opheffing of wijziging van het bevel afgewezen en bleef de voorlopige maatregel gehandhaafd.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing of wijziging van het bevel wordt afgewezen en de voorlopige maatregel blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 83-355088-24
Raadkamernummer: 25-000245
Datum uitspraak: 16 januari 2025
Beschikkingvan de rechtbank Rotterdam, economische meervoudige raadkamer, op het verzoek van:

[verdachte] , verdachte,

gevestigd te [adres] ,
raadsman mr. G.J. van Oosten en raads vrouw mr. L.J. Moerdijk, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.

Procedure

Op 23 december 2024 heeft de officier van justitie bij voorlopige maatregel als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) bevolen dat de verdachte zich onthoudt van het toegang bieden aan natuurlijke personen en/of rechtspersonen en/of entiteiten en/of lichamen tot de betaalplatformen Boosty en DonationsAlert voor het werven van donaties waarbij verbodsbepalingen van regelingen die gebaseerd zijn op de Sanctiewet 1977 worden overtreden. Daarbij is tevens een regeling als bedoeld in artikel 28, tweede lid, WED juncto artikel 10, eerste lid, WED opgelegd.
Op grond van artikel 28, derde lid, WED is namens de verdachte een verzoekschrift ingediend.
Het verzoekschrift is op 9 januari 2025 in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie en de gemachtigde raadslieden van de verdachte.

Het verzoekschrift

Standpunt verdachte
Het verzoek strekt primair tot opheffing van het bevel en de regeling en subsidiair tot wijziging van de regeling. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte niet (meer) de rechten en middelen heeft om het bevel op te volgen en de in de regeling genoemde maatregelen te treffen. Doordat de verdachte de aandelen van [bedrijf] heeft verkocht en overgedragen heeft zij geen beschikkingsmacht meer over [bedrijf] en de door [bedrijf] uitgebate betaalplatformen DonationsAlerts en Boosty.
Daarnaast is aangevoerd dat de regeling in strijd is met de WED, omdat artikel 28 WED Pro slechts voorziet in de bevoegdheid bevelen te geven die ertoe strekken zich van bepaalde gedragingen te
onthouden, terwijl verdachte in de regeling wordt bevolen bepaalde handelingen te
verrichten.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoekschrift dient te worden afgewezen. [bedrijf] is formeel eigenaar/beheerder van de betaalplatformen Boosty en DonationsAlert. Er is echter sprake van een sterke verwevenheid tussen [verdachte] en [bedrijf]. De levering van de aandelen van [bedrijf] door [verdachte] aan een derde betekent niet dat de feitelijke beschikkingsmacht van [verdachte] over [bedrijf] en de betaalplatformen is komen te vervallen.
De regeling is in overeenstemming met de WED, zodat een wijziging daarvan niet aan de orde is.
Beoordeling
Naar het oordeel van de raadkamer is onweersproken sprake van ernstige bezwaren tegen de verdachte van – kort gezegd – overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens de Sanctiewet 1977. Daarnaast eisen de belangen die door de vermoedelijk overtreden voorschriften worden beschermd, een onmiddellijk ingrijpen.
De raadkamer is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte géén beschikkingsmacht (meer) heeft over de gedragingen van, door of namens [bedrijf]. Integendeel.
[verdachte] heeft nog steeds zeggenschap over (de activiteiten van) [bedrijf], doordat de verkoop van de aandelen in [bedrijf] aan een derde partij niet is afgewikkeld. In de “share purchase agreement” (hierna: SPA) is afgesproken dat de laatste deelbetaling door de koper plaats zal vinden op 31 december 2025 (artikel 3.2.2) en dat de aandelen zo lang (deels) in onderpand blijven bij [verdachte] (artikel 3.4). Uit de bij de SPA gevoegde en daarvan deel uitmakende “deed of pledge” (pandakte) blijkt bovendien dat de aan de aandelen verbonden stemrechten en het recht om vergaderingen bij te wonen toekomen aan de pandhouder, zijnde [verdachte] (artikel 3).
Daarnaast blijkt uit de SPA dat personeel in dienst bij [verdachte] dat voornamelijk werkt voor [bedrijf] in dienst blijft totdat [bedrijf] is geregistreerd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (artikel 5.1.2). Dit personeel heeft toegang tot de websites van de betaalplatformen en houdt zich bezig met het onderhoud en de monitoring daarvan.
Tot slot heeft [bedrijf] zich jegens [verdachte] verbonden om tot de volledige betaling van de koopprijs, op dezelfde manier en in overeenstemming met de wet te zullen blijven opereren (artikel 5.1).
Op grond van voornoemde onweersproken feiten en omstandigheden is de raadkamer van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte geen uitvoering kan geven aan het bevel, zoals is aangevoerd.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de bij het bevel behorende regeling niet in strijd is met de wet. Artikel 10 WED Pro biedt de mogelijkheid om nader vorm te geven aan de voorlopige maatregel door alle bijzonderheden en gevolgen ervan naar behoefte te regelen, om de voorlopige maatregel effectief te laten zijn. De regeling voorziet in een situatie waarbij de bedrijfsvoering van [verdachte] zo min mogelijk schade zal ondervinden van de aan haar opgelegde maatregel. Mede gelet op de verdere bedrijfsvoering, is door de officier van justitie in de regeling niets opgenomen waartoe zij niet bevoegd was.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de raadkamer van oordeel dat de door de officier van justitie getroffen maatregel als bedoeld in artikel 28 WED Pro en de daaraan verbonden maatregel in stand kunnen blijven. Het verzoek om opheffing dan wel wijziging wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek in alle onderdelen af.
Deze beschikking is gegeven door:
mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,
en mrs. G.P. van de Beek en J.L. Luiten, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. Dijk, griffier,
en is uitgesproken in openbare raadkamer op 16 januari 2025.