Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- vrijspraak van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde;
- bewezenverklaring van het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 286 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering én een locatieverbod voor Hoek van Holland, alsmede de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarden.
4.Waardering van het bewijs
en[slachtoffer 1] in de metro heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
en[slachtoffer 1] te richten;
5.Strafbaarheid feiten
1.meest subsidiair
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
2.
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf
Tot slot heeft de verdachte (samen met de medeverdachte) het pistool en de daarbij behorende kogelpatronen voorhanden gehad. Het ongeoorloofd bezit van vuurwapens leidt niet zelden tot het gebruik daarvan. De onderhavige zaak maakt dat nog maar eens pijnlijk duidelijk.
8.Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen
- aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] : € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld;
- aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] : € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen;
106 (honderdzes) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd,tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
de benadeelde partij [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van
€ 2.500,- (zegge tweeduizend vijfhonderd euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[slachtoffer 2]te betalen
€ 2.500,- (hoofdsom,
zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.500,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
35 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
de benadeelde partij [slachtoffer 1] ,te betalen een bedrag van
€ 1.500,- (zegge: duizend vijfhonderd euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[slachtoffer 1]te betalen
€ 1.500,-(hoofdsom,
zegge: duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
25 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;