De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een ondertoezichtstelling van de minderjarige en een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar halfzus. Dit verzoek werd gedaan vanwege zorgen over de opvoedsituatie na het overlijden van de moeder en de onrustige thuissituatie met meerdere wisselingen van woonplek.
Tijdens de zitting, waarbij de vader, stiefmoeder, halfzus en vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig waren, werd het verzoek toegelicht en ondersteund. De vader stemde in, hoewel hij ambivalent stond tegenover de plaatsing bij de halfzus en zorgen had over de inschrijving van de minderjarige.
De kinderrechter oordeelde dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling was voldaan en dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is om de situatie te monitoren en hulpverlening te organiseren. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend voor zes maanden, omdat de huidige verblijfplaats bij de halfzus de beste oplossing is.
De beschikking is direct uitvoerbaar verklaard en de minderjarige wordt onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling voor negen maanden. Het besluit kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.