ECLI:NL:RBROT:2025:4929
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op toekenning maatwerkvoorziening Jeugdwet voor specialistische jeugd-GGZ
De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van verweerder tot toekenning van een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet voor individuele behandeling specialistische jeugd-GGZ. Verweerder had aanvankelijk een voorziening toegekend vanaf 14 februari 2024, maar na bezwaar is dit aangepast naar een ingangsdatum van 11 januari 2024 met een omvang van 22 uur per week.
Eiser en zijn wettelijk vertegenwoordigers voerden aan dat er een onterecht gat was ontstaan tussen 30 juni 2023 en 11 januari 2024, wat heeft geleid tot schade door onvergoede facturen. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder de voorziening terecht vanaf 11 januari 2024 heeft toegekend, mede omdat de voorgaande indicatie niet werd verlengd en verweerder heeft geprobeerd contact te zoeken om de zorg voort te zetten.
Verder stelde eiser dat er een onderzoeksplan had moeten worden opgesteld en dat er verdergaande voorzieningen nodig waren, maar de rechtbank constateert dat het opstellen van het ondersteuningsplan door de wettelijk vertegenwoordigers is belemmerd. Klachten over eerdere medische incidenten en herhalingen van bezwaargronden worden niet gehonoreerd.
De rechtbank benadrukt het belang van samenwerking voor een materiële oplossing en wijst schadevergoeding en proceskosten af. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van de maatwerkvoorziening Jeugdwet is ongegrond verklaard.