AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overlijden verdachte in cocaïne-invoerzaak
De verdachte werd beschuldigd van de voorbereiding van de invoer van een grote partij cocaïne, waarbij hij onder meer betrokken zou zijn geweest bij het organiseren, vervoeren en monitoren van containers met cocaïne op het ECT-terrein te Rotterdam.
Tijdens de procedure ontving de rechtbank een proces-verbaal van onnatuurlijke dood waaruit bleek dat de verdachte op 18 april 2025 was overleden. Op grond van artikel 69 vanPro het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht op strafvervolging door de dood van de verdachte.
De rechtbank heeft daarop het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging tegen de verdachte. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer strafzaken van de rechtbank Rotterdam op 22 april 2025.
De rechtbank benadrukte dat door het overlijden van de verdachte de strafrechtelijke procedure niet kan worden voortgezet en dat de vervolging daarom dient te worden beëindigd.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het overlijden van de verdachte.
geboren [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1].
Advocaat van de verdachte: H. Raza
Officier van justitie: M. Luijpen
Tenlastelegging
De verdachte wordt door de officier van justitie beschuldigd van de voorbereiding van de invoer van een grote partij cocaïne. De volledige beschuldiging houdt in dat de verdachte:
op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 15 februari 2021 te Rotterdam en/of Rhoon, gemeente Albrandswaard, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 vanPro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen (waaronder als bedoeld in artikel 1 lid 4 vanPro de Opiumwet) van 1329,5 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn, en/of
zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit, hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s):
in persoon, telefonisch en/of via (SkyECC)chatberichten contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne, en/of
geregeld dat er (een) voertuig(en) en/of gereedschap en/of zegels beschikbaar was/waren, en/of
buiten de ECT Delta Terminal op de uitkijk gestaan met als doel de vrachtwagen met de container (met daarin die cocaïne) te volgen en/of klem te rijden als deze het ECT-terrein zou verlaten, en/of
de aankomst en/of de locatie van de container [containernummer 1] gemonitord in het systeem van de ECT en/of informatie uit het systeem van de ECT met betrekking tot de container [containernummer 2] gedeeld met zijn mededader(s), en/of
zich (onbevoegd) op het ECT-terrein aan de [adres 2] te Maasvlakte Rotterdam begeven, en/of
zich op het ECT-terrein opgehouden in container [containernummer 3], en/of
een GPS-tracker geplaatst op de container [containernummer 1] , en/of
één of meer (organisatie)telefoon(s) en/of gereedschap en/of (rederij)zegels en/of bivakmutsen en/of handschoenen en/of een powerbank voorhanden gehad, en/of
geld in het vooruitzicht gesteld (gekregen).
Ontvankelijkheid officier van justitie
De rechtbank heeft na afloop van de zitting en voorafgaand aan de uitspraak op 22 april 2025 van de officier van justitie een proces-verbaal onnatuurlijke dood ontvangen, waaruit blijkt dat de verdachte op 18 april 2025 is overleden.
Op grond van artikel 69 vanPro het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht op strafvervolging door de dood van de verdachte. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door J.H. Janssen, voorzitter,
en J.C. Tijink en H.J. de Kraker, rechters,
in tegenwoordigheid van J.D. Schmahl, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 22 april 2025.
De voorzitter en de oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.