ECLI:NL:RBROT:2025:4960

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 maart 2025
Publicatiedatum
24 april 2025
Zaaknummer
C/10/694383 / JE RK 25-307
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens spanningen tussen ouders en bedreigde ontwikkeling

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling van een 9-jarige minderjarige, die sinds 2022 onder toezicht staat vanwege bedreiging van haar ontwikkeling. De minderjarige woont bij haar vader, en de ondertoezichtstelling is eerder verlengd tot 31 maart 2025. Door verhuizing is de betrokken GI gewijzigd.

Tijdens de zitting op 17 maart 2025, waarbij de ouders en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig waren, is het verzoek gewijzigd tot een verlenging van zes maanden met aanhouding van de resterende zes maanden. Er zijn geen grote veiligheidszorgen over de thuissituaties bij beide ouders, maar spanningen tussen de ouders blijven bestaan en beïnvloeden het welzijn van de minderjarige.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging nog steeds gelden. Hoewel de thuissituatie bij de vader stabiel is en de minderjarige zich daar veilig voelt, blijft zij emotioneel belast door de scheiding en communicatieproblemen tussen de ouders. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 30 september 2025, met een pro forma zitting op 1 augustus 2025 om verdere stappen te bepalen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met zes maanden tot 30 september 2025 vanwege aanhoudende spanningen tussen ouders die haar ontwikkeling bedreigen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaaknummer: C/10/694383 / JE RK 25-307
datum uitspraak: 17 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen de moeder,
[naam vader],
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen de vader.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI is ontvangen op 14 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
  • de moeder;
  • een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij haar vader.
2.3.
Op 31 maart 2022 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd in Utrecht (hierna: GI SAVE). De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd en loopt nu tot 31 maart 2025.
2.4.
Op 9 juli 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank GI SAVE, op haar verzoek, vervangen door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, vanwege de verhuizing van [minderjarige] naar haar vader in Schiedam.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek ter zitting gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van zes maanden, met aanhouding van de resterende zes maanden.
3.3.
De GI heeft het gewijzigde verzoek als volgt toegelicht. Op dit moment zijn er geen grote veiligheidszorgen over de thuissituatie bij de vader en ook niet over de thuissituatie bij de moeder, waar [minderjarige] in de weekenden en in vakanties verblijft. Er wordt wel zicht gehouden op de thuissituatie bij de moeder naar aanleiding van een melding bij Veilig Thuis over de aanwezigheid van een taser. Uit de evaluatie van de thuissituatie bij de vader blijkt dat [minderjarige] het goed doet bij de vader; er is een klik tussen de vader en [minderjarige] . De zorgen die er nog wel zijn, zien op de spanningen tussen de ouders onderling en het effect hiervan op [minderjarige] . Vanaf december 2024 is Needed People betrokken bij het gezin, ter ondersteuning van [minderjarige] . De ouders hebben werkbare afspraken gemaakt in het kader van een ouderschapstraject. Ondanks dat er verbeteringen zichtbaar zijn, blijven er echter spanningen tussen de ouders bestaan. Deze spanningen worden door beide ouders erkend. Op dit moment is nog niet duidelijk welke hulp er nog ingezet kan worden door de GI om dit af te doen nemen. De GI wil de komende zes maanden onderzoeken of de eerder gestelde doelen nog te behalen zijn. Op dit moment is er geen vaste jeugdbeschermer betrokken bij [minderjarige] en haar ouders. Onduidelijk is op welke termijn er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar is. Er zijn echter wel twee ervaren jeugdbeschermers vanuit het beheerteam betrokken.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft zich ter zitting niet verzet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling. Het is een prettig idee dat hij op de hulpverlening kan terugvallen als er iets misgaat. Het zou echter fijn zijn om een vast aanspreekpunt te hebben.
[minderjarige] is gelukkig weer vrolijk, luistert goed en doet wat ze moet doen. Voorheen had [minderjarige] moeite met wisselen tussen de vader en de moeder, maar dit is niet meer het geval. De communicatie tussen de ouders verloopt wisselend en soms wat stroef. [minderjarige] krijgt hierdoor soms nog wel spanningen tussen de ouders mee. De vader staat achter de hulpverlening vanuit Needed People voor [minderjarige] .
4.2.
De moeder heeft zich ter zitting ook niet verzet tegen verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder sluit zich aan bij het standpunt van de vader dat er een vaste jeugdbeschermer moet komen. [minderjarige] is heel vrolijk, luistert steeds beter en communiceert goed. Zij is eerlijk en niet brutaal. Ze kent de omgangsregeling en werkt hier goed aan mee. Alleen op tijd naar bed gaan is soms nog lastig. De moeder ondervindt nog regelmatig problemen in de communicatie met de vader. De ene keer verloopt de communicatie goed en de andere keer zeer moeizaam. [minderjarige] fungeert dan als tussenpersoon. De moeder zou graag meer op de hoogte gehouden willen worden van de ontwikkelingen omtrent de hulpverlening van Needed People.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat de 9-jarige [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. In het afgelopen jaar hebben [minderjarige] en haar ouders een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar de doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet helemaal behaald. De thuissituatie van [minderjarige] bij de vader is inmiddels stabiel. [minderjarige] lijkt zich hier emotioneel en fysiek veilig te voelen. Zij heeft echter nog steeds last van de scheiding en de communicatieproblemen tussen haar ouders. [minderjarige] wordt nog steeds belast met volwassenenproblematiek, wat leidt tot emotionele onveiligheid en stress. De scheidingshulpverlening van Youké heeft tot verbetering geleid, maar de ouders houden zich nog onvoldoende aan de in dat kader gemaakte afspraken en vervallen af en toe in oude patronen. Het lukt hen dan niet om met elkaar te communiceren zonder [minderjarige] te belasten.
5.3.
Nu het de ouders nog onvoldoende lukt om, in het belang van [minderjarige] , effectief met elkaar te communiceren en [minderjarige] hierdoor nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van zes maanden. [1] In die periode zal moeten worden bezien of aanvullende hulp moet worden ingezet om de onderlinge communicatie tussen de ouders te verbeteren. Daarnaast zal de hulpverlening ten aanzien van [minderjarige] moeten worden gemonitord en moeten worden beoordeeld of aanvullende hulp voor haar nodig is.
5.4.
De kinderrechter houdt het verzoek voor het overige aan. De GI wordt verzocht om twee weken vóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden) te overleggen over de stand van zaken op dat moment en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 30 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
en, alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot
1 augustus 2025 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2025 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:260, eerste lid, BW.