AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontwikkelingsbedreiging en verstoorde ouderrelaties
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een 2-jarige minderjarige, die sinds 5 april 2024 onder toezicht stond. Hoewel de zorgen over de verzorging zijn afgenomen en de ontwikkeling van het kind leeftijdsadequaat is, bestaat nog steeds een ontwikkelingsbedreiging vanwege de psychische gesteldheid van de moeder, de verstoorde relatie tussen de ouders en het gebrek aan omgang met de vader.
De moeder voert verweer en ontkent de zorgen, stelt dat het kind veilig is en weigert verdere behandeling en medewerking aan omgang met de vader. De vader steunt het verzoek en maakt zich zorgen over het welzijn van het kind en de psychische gesteldheid van de moeder.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BWPro nog steeds zijn vervuld. De moeder werkt niet mee aan noodzakelijke behandeling en ontneemt het kind contact met de vader, wat de ontwikkelingsbedreiging in stand houdt. Ook is er geen zicht op de opvoedsituatie door het afhouden van contact met de GI.
Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar tot 4 april 2026 en wordt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het belang van het kind bij contact met beide ouders en het herstel van die relatie wordt benadrukt, evenals de noodzaak van betrokkenheid van de GI.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 4 april 2026 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/693717 / JE RK 25-225
Datum uitspraak: 20 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
wonende in [woonplaats], hierna te noemen de moeder,
[naam vader],
wonende in [woonplaats], hierna te noemen de vader.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
Het verzoekschrift (met bijlagen) van de GI is ontvangen op 3 februari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam].
2.De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
De ouders zijn uit elkaar. [minderjarige] woont samen met de moeder bij grootmoeder moederszijde.
2.3.
Op 5 april 2024 is [minderjarige] door de kinderrechter in deze rechtbank onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling loopt tot 5 april 2025.
3.Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
Ter zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Hoewel de zorgen over de verzorging van [minderjarige] zijn afgenomen en [minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt, is er nog steeds sprake van een ontwikkelingsbedreiging. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] ziet op de psychische gesteldheid van de moeder, de verstoorde relatie tussen de ouders en het gebrek aan omgang met de vader. Tijdens de vorige zitting, in april 2024, is al benadrukt dat medewerking van de moeder aan behandeling door de Combipoli van het Erasmus Medisch Centrum (EMC) noodzakelijk is om deze zorgen weg te nemen. De moeder is na het intakegesprek in februari 2025 echter niet meer verschenen op vervolgafspraken bij de Combipoli. Ook reageert zij niet meer op contactpogingen van de GI. Hierdoor is er geen zicht meer op [minderjarige] en de moeder. Verder houdt de moeder zich niet meer aan de bezoekafspraken tussen [minderjarige] en de vader, met als gevolg dat [minderjarige] en de vader elkaar al een tijd niet meer hebben gezien. De GI heeft tijdens eerdere bezoeken gezien dat [minderjarige] veel plezier heeft met haar vader. Het is daarom te meer van belang dat zij een band met elkaar kunnen opbouwen. De verlenging van de ondertoezichtstelling is noodzakelijk om weer zicht te krijgen op de situatie van [minderjarige] en om de omgang tussen [minderjarige] en de vader te kunnen hervatten.
4.De standpunten
4.1.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij zich tijdens de zitting in april 2024 gedwongen voelde om akkoord te gaan met de ondertoezichtstelling. Zij herkende de door de Raad voor de Kinderbescherming gerapporteerde zorgen niet. [minderjarige] had dan ook nooit onder toezicht mogen worden gesteld. Ze is veilig en ontwikkelt zich leeftijdsadequaat. Ze gaat vijf dagen per week naar de opvang. Het gaat goed met haar. Ook met de moeder gaat het goed. Zij heeft een baan, genereert eigen inkomsten en heeft een dagritme. Er is geen sprake van psychische problematiek. Daarom wil de moeder niet meer meewerken aan behandeling door de Combipoli. Vanwege eerdere vermoedens van seksueel misbruik door de vader en het gegeven dat de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] op het kantoor van de GI niet onder toeziend oog van een medewerker plaatsvindt, heeft de moeder besloten om haar medewerking aan omgang tussen de vader en [minderjarige] te beëindigen. Ook het mediationtraject dat was ingezet om het contact tussen de vader en de moeder te verbeteren heeft de moeder beëindigd. De redenen hiervoor zijn dat de vader bepaalde voorwaarden niet wilde accepteren en dat de moeder het financieel niet meer kon opbrengen.
4.2
De vader staat achter het verzoek van de GI. Hij maakt zich zorgen over het welzijn van [minderjarige] en de psychische gesteldheid van de moeder. Doordat de moeder niet meer meewerkt aan bezoeken tussen [minderjarige] en de vader, hebben zij elkaar al vijf weken niet meer gezien. De vader wil het beste voor [minderjarige] en hoopt dat hij haar snel weer ziet.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting volgt dat de 2-jarige [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De eerder bestaande zorgen over de verzorging van [minderjarige] zijn weliswaar afgenomen, maar de zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en de verstoorde relatie tussen de vader en de moeder niet. Die zorgen zijn zelfs toegenomen, nu de moeder weigert mee te werken aan behandeling door de combipoli, zij het mediationtraject met de vader heeft beëindigd en zij [minderjarige] contact met de vader ontneemt. Dit alles heeft tot gevolg dat [minderjarige] niet de gelegenheid krijgt om op een onbelaste wijze contact te hebben met haar beide ouders, terwijl zij wel recht heeft op contact met beide ouders en dit ook in het belang is van haar (identiteits-)ontwikkeling. Van een ontwikkelingsbedreiging is daardoor nog steeds sprake. Doordat de moeder ook het contact met de GI afhoudt, is er geen zicht meer op de opvoedsituatie en de ontwikkeling van [minderjarige]. Dat baart de kinderrechter ook zorgen.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft en de regie gaat pakken. De GI zal moeten onderzoeken of behandeling door de Combipoli alsnog van de grond kan komen en welke hulpverlening verder nodig is om de zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en de ernstig verstoorde relatie tussen de moeder en de vader weg te nemen. De vader en de moeder zullen immers gezamenlijk verder moeten als ouders van [minderjarige]. Ook zal moet worden gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader zo lang [minderjarige] belang zich daar niet tegen verzet. Op dit moment zijn er geen concrete aanwijzingen die het vermoeden van de moeder dat de vader [minderjarige] in het verleden seksueel heeft misbruikt bevestigen.
5.4.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. [1]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 4 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2025 door mr. drs. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier, en op schrift gesteld op 1 april 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.