De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een ondertoezichtstelling van een minderjarige voor de duur van een jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden. De minderjarige heeft een genafwijking en vraagt om specifieke opvoedbehoeften die de ouders door persoonlijke problematiek onvoldoende kunnen bieden. Ondanks inzet van hulpverlening via Zenozorg en therapie voor de vader, blijven er ernstige zorgen over de ontwikkeling en hechting.
De ouders erkennen de problematiek en tonen bereidheid tot verbetering, maar de kinderrechter constateert dat de ouders onvoldoende in staat zijn om zelfstandig de noodzakelijke hulp te organiseren en voldoende leerbaar zijn. De kinderrechter acht een ondertoezichtstelling noodzakelijk om de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige te waarborgen.
De kinderrechter overweegt dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is en besluit het verzoek daartoe aan te houden tot een nader zittingmoment, waarbij de voortgang van de hulpverlening wordt geëvalueerd. De Raad wordt verzocht een rapportage te overleggen over de stand van zaken en eventuele plaatsingsmogelijkheden, bij voorkeur binnen de kerkelijke gemeenschap van de ouders.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en een vervolgzitting is gepland op 3 juli 2025 om het verzoek tot uithuisplaatsing nader te behandelen. De ouders, de Raad, de GI en hun advocaten worden opgeroepen voor deze zitting.