AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheidsincident bij geschil over huur bedrijfsruimte en onrechtmatig handelen
In deze zaak vordert [bedrijf A] betaling van €60.461,05 met rente van [bedrijf B] wegens wanprestatie als huurder en onrechtmatig handelen door het exploiteren van een hennepkwekerij in het gehuurde pand. Tevens worden de bestuurders [persoon B] en [persoon C] aangesproken voor onrechtmatig handelen.
Gedaagden [persoon B] en [persoon C] stelden een bevoegdheidsincident voor de rechtbank Rotterdam en voerden aan dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, bevoegd is omdat het gehuurde in Geertruidenberg ligt. De rechtbank oordeelt dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is op grond van artikel 99 enPro 103 Rv, omdat [bedrijf B] statutair in Barendrecht is gevestigd en de bestuurders in gemeenten wonen die onder Rotterdam vallen. De uitzonderingen in artikel 103 enPro 264 Rv zijn niet van toepassing.
Het bevoegdheidsincident wordt afgewezen en [persoon B] en [persoon C] worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van €542,50. De inhoudelijke behandeling van de hoofdzaak wordt aangehouden tot de zitting op 21 maart 2025.
De uitspraak is opgemaakt en ondertekend door kantonrechter M.C. van der Kolk op 21 maart 2025.
Uitkomst: De rechtbank Rotterdam verklaart zich bevoegd, wijst het bevoegdheidsincident af en veroordeelt de bestuurders in de proceskosten.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11108890 CV EXPL 24-12897
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 21 maart 2025
in de zaak van
[bedrijf A] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. D.M. Schouten-Hennen,
tegen
1.[bedrijf B] ,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. R.R. Raghoebir,
2. [persoon B] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
3. [persoon C] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident,
gemachtigde: M.V. Karansingh LL.B.
De partijen worden ‘ [bedrijf A] ’, ‘ [bedrijf B] ’, ‘ [persoon B] ’ en ‘ [persoon C] ’ genoemd.
De kantonrechter is mr. M.C. van der Kolk.
Aanwezig zijn:
De heer [persoon D] namens [bedrijf A] , bijgestaan door mr. W. Bond-Stroek namens de gemachtigde;
De heer mr. J. Stoker namens de gemachtigde van [bedrijf B] ;
[persoon B] en zijn vader, [persoon C] en mr. G.C. Haulussy namens de gemachtigde.
1.De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
1.1.
In de hoofdzaak eist [bedrijf A] betaling van € 60.461,05 met rente en om gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten en beslagkosten) met rente. De reden daarvan is dat [bedrijf B] volgens [bedrijf A] heeft gewanpresteerd als huurder en onrechtmatig heeft gehandeld en de bestuurders [persoon B] en [persoon C] jegens haar onrechtmatig hebben gehandeld door een hennepkwekerij te exploiteren in het door [bedrijf A] aan [bedrijf B] verhuurde bedrijfspand aan de [adres] in [vestigingsplaats 1] .
In het incident
1.2.
Op de voet van artikel 209 RvPro wordt eerst beslist op het door [persoon B] en [persoon C] opgeworpen bevoegdheidsincident. [persoon B] en [persoon C] hebben een beroep gedaan op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Rotterdam. Volgens [persoon B] en [persoon C] moet de zaak worden verwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, omdat op grond van artikel 264 RvPro uitsluitend de rechter bevoegd is binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen. Dat is in dit geval in Geertruidenberg, welke gemeente onder het werkgebied van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda valt. [bedrijf A] is het daar niet mee eens en stelt zich op het standpunt dat de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, wel bevoegd is en wel op grond van artikel 103 RvPro.
1.3.
De incidentele vordering wordt afgewezen. Op grond van artikel 99 RvPro is in beginsel de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd. [bedrijf B] is statutair gevestigd in Barendrecht en [persoon B] en [persoon C] wonen in Ridderkerk en Barendrecht. Deze gemeentes vallen onder het werkgebied van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam. De in artikel 103 RvPro genoemde uitzondering voor huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BWPro is niet van toepassing, omdat het in deze zaak om een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW gaat. Ook artikel 264 RvPro is niet van toepassing, omdat dit artikel ziet op verzoekschriftprocedures en deze zaak een dagvaardingsprocedure betreft. Op grond van artikel 99 enProartikel 103 RvPro is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, enkel alternatief bevoegd vanwege het feit dat de bedrijfsruimte in Geertruidenberg is gelegen.
1.4.
De proceskosten in het incident komen voor rekening van [persoon B] en [persoon C] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 RvPro). Gelet op de beperkte omvang van het door [bedrijf A] in het incident gevoerde verweer begroot de kantonrechter deze kosten aan de kant van [bedrijf A] op € 407,50 aan salaris voor haar gemachtigde (0,5 punt × € 815,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 542,50. Hier kan nog een bedrag bijkomen als deze uitspraak wordt betekend.
In de hoofdzaak
1.5.
De zaak wordt inhoudelijk besproken op de zitting van 21 maart 2025 om 13:30 uur.
1.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2.De beslissing
De kantonrechter:
in het incident
2.1.
wijst de incidentele eis van [persoon B] en [persoon C] af;
2.2.
veroordeelt [persoon B] en [persoon C] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [bedrijf A] worden begroot op € 542,50;
in de hoofdzaak
2.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit proces-verbaal is op 21 maart 2025 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.