Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Hij wil hiermee een adempauze om zijn schuldenproblematiek op te lossen via schuldhulpverlening.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en het exploot dat uitvoering aankondigt. Echter is onvoldoende aannemelijk dat verzoeker de lopende huurtermijnen kan voldoen, aangezien zijn inkomen uit een tijdelijke arbeidsovereenkomst onvoldoende is om de vaste lasten, waaronder de huur van €1.553,98 per maand, te betalen. De huurachterstand bedraagt nog steeds ruim €30.000.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker. Daarom wordt het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet spoedig zal worden afgerond.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.