ECLI:NL:RBROT:2025:5202

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
29 april 2025
Zaaknummer
FT RK 25/356 en FT RK 25/357
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium huurwoning bij schuldenproblematiek

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet aangevraagd om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. Hij kampt met schulden en is bezig met een minnelijk schuldhulpverleningstraject. De rechtbank constateert een bedreigende situatie vanwege een dreigende ontruiming en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.

De rechtbank acht het aannemelijk dat verzoeker de lopende huurtermijnen kan voldoen, mede doordat hij sinds januari 2025 de huur betaalt, een PW-uitkering ontvangt en budgetbeheer zal worden opgestart. Verweerster heeft geen bezwaar tegen de voorziening zolang de huur wordt voldaan.

De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject nog loopt. De beslissing biedt verzoeker een adempauze om zijn schulden te regelen en zijn woonruimte te behouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 16 april 2025
[verzoeker],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 5 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 maart 2025.
Ter zitting van 26 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoeker;
  • mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoeker heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.
Namens verzoeker zijn na de zitting, op 1 april 2025, aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft op 3 april 2025 de zaak aangehouden tot 16 april 2025. De rechtbank heeft in dat kader op 3 april 2025 een brief gestuurd naar verzoeker, diens schuldhulpverlener en naar verweerster.
De rechtbank heeft vervolgens namens verzoeker, op 11 april 2025 en op 14 april 2025, aanvullende stukken ontvangen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij schuldhulpverlening. Verzoeker had tot halverwege maart 2025 inkomsten uit loon. Hij werkte bij Randstad en kreeg daar per week betaald. Daarom betaalde hij de huur
soms te laat. Verzoeker is nu op zoek naar een nieuwe baan en ontvangt inmiddels een PW-uitkering. Verzoeker heeft bovendien de huur van de maanden januari 2025 tot en met april 2025 voldaan. Ook zal budgetbeheer worden opgestart. Daarmee wordt gewaarborgd dat de vaste lasten, waaronder de huur, tijdig en volledig worden voldaan.

3.Het verweer

Verweerster heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen een toewijzing van de voorlopige voorziening, zolang de lopende huurtermijnen worden voldaan. Ook hecht verweerster er belang bij dat verzoeker hulp accepteert. Verzoeker kwam namelijk eerder afspraken niet na en betaalt weliswaar de huur, maar deze wordt door hem vaak te laat betaald.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 7 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 april 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker betaalt sinds januari 2025 maandelijks de huur. Verzoeker ontvangt bovendien inmiddels een PW-uitkering. Daarmee heeft hij voldoende inkomsten om de lopende verplichtingen te voldoen. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor ook voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig en volledig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 april 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 5 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.