Verzoekster heeft een voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 18 november 2020, met uitvoering gepland op 25 maart 2025.
De rechtbank beoordeelde of sprake was van een bedreigende situatie en concludeerde dat dit het geval was. Verzoekster heeft voldoende inkomsten uit arbeid en toeslagen, de huur voor maart en april 2025 is voldaan en er is budgetbeheer opgestart, waardoor de toekomstige huurbetalingen aannemelijk zijn.
Verweerster had geen bezwaar tegen de voorlopige voorziening mits de lopende huurtermijnen worden betaald en verzoekster meewerkt aan schuldhulpverlening. De rechtbank vond het belang van verzoekster, die in haar woning kan blijven en het schuldhulpverleningstraject kan voortzetten, zwaarder wegen dan het belang van verweerster.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond.