Eiseres, gedupeerde van de toeslagenaffaire, ontving een forfaitaire schadevergoeding van €30.000 op grond van artikel 2.7 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Zij betoogde dat dit bedrag lager was dan haar werkelijke schade en wilde latere besluiten over integrale beoordeling betrekken bij deze procedure. De rechtbank oordeelt dat deze latere besluiten op een andere wettelijke grondslag zijn gebaseerd en geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit.
De rechtbank bevestigt dat het forfaitaire bedrag niet rekening houdt met de werkelijke schade, die alleen kan worden meegenomen bij een aanvraag op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Het beroep tegen het bestreden besluit van 31 maart 2022 is daarom ongegrond.
Daarnaast is vastgesteld dat de procedure de redelijke termijn met ruim twee jaar heeft overschreden. Eiseres heeft daardoor recht op een immateriële schadevergoeding van €2.500,-, waarvan de Dienst Toeslagen €740,74 en de Staat €1.759,26 moeten betalen. Ook worden proceskosten van €226,75 verdeeld over beide partijen. Het vonnis is uitgesproken door rechter Ferwerda op 25 april 2025.