Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
De beslissing
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend voor een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b Faillissementswet, gericht op het moratorium om ontruiming van haar woonruimte te voorkomen. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 28 januari 2025. Verzoekster kon de huur niet betalen vanwege verminderde inkomsten tijdens de coronaperiode.
Tijdens de zitting op 26 maart 2025 verscheen schuldhulpverlening, maar verzoekster en verweerster waren afwezig. De rechtbank stelde vast dat sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in de woning te blijven af tegen het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank concludeert dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de lopende huurtermijnen kan voldoen. Er is geen stabiele inkomenssituatie, haar aanvraag bijstand is buiten behandeling gesteld en zij is niet verschenen om het verzoek toe te lichten. Daarom weegt het belang van verweerster zwaarder en wordt het verzoek afgewezen.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject niet op korte termijn zal worden afgerond. Verzoekster kan op een later moment een nieuw verzoek indienen.
De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Snel-van den Hout op 28 maart 2025.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt afgewezen en verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling.