ECLI:NL:RBROT:2025:5358

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 april 2025
Publicatiedatum
1 mei 2025
Zaaknummer
ROT 25/2838
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:84 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking bijstandsintrekking

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering per 5 maart 2025 door het dagelijks bestuur van de verweerder. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.

Nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit op 4 april 2025 had laten vervallen en de bijstandsuitkering had hervat vanaf 5 maart 2025, trok verzoekster haar verzoek in en vroeg zij om veroordeling van de verweerder in de proceskosten. De verweerder verzette zich hier niet tegen.

De voorzieningenrechter heeft zonder zitting uitspraak gedaan en het verzoek om proceskostenveroordeling toegekend. De proceskosten werden vastgesteld op € 907,- voor de verrichte proceshandeling en daarnaast werd de verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 53,-. De uitspraak is gedaan op 25 april 2025.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt het bestuursorgaan tot betaling van proceskosten en griffierecht na intrekking van de bijstandsintrekking.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2838

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 april 2025 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. I. Amghar),
en

het dagelijks bestuur van [naam verweerder]

(gemachtigde: mr. M. Raslan).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 24 maart 2025 heeft [naam verweerder] de bijstandsuitkering van verzoekster ingetrokken per 5 maart 2025. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Op 4 april 2025 heeft [naam verweerder] het bestreden besluit laten vervallen en de bijstandsuitkering hervat vanaf 5 maart 2025.
3. Verzoekster heeft vervolgens het verzoek ingetrokken met daarbij het verzoek om [naam verweerder] te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft [naam verweerder] in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. [naam verweerder] heeft de rechtbank meegedeeld dat het zich niet verzet tegen een veroordeling de proceskosten voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
4. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. [naam verweerder] heeft ingestemd met een proceskostenveroordeling.
Welke kosten dient [naam verweerder] te vergoeden?
6. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 907,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die [naam verweerder] moet vergoeden € 907,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe.
8. Nu [naam verweerder] aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om [naam verweerder] ook te veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- veroordeelt [naam verweerder] tot betaling van € 907,- aan verzoekster;
- draagt [naam verweerder] op het betaalde griffierecht van € 53,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).