De rechtbank Rotterdam heeft op 24 april 2025 in een zaak over de hoofdverblijfplaats van een minderjarige besloten dat deze per 18 augustus 2025 bij de vader zal zijn. Dit besluit volgt op een langdurige uithuisplaatsing van het kind bij de vader, die in augustus 2023 begon en verlengd is tot augustus 2025.
De ouders oefenden gezamenlijk het ouderlijk gezag uit en hadden een co-ouderschapsregeling, maar de moeder had beperkt contact met het kind. De moeder wenst de resterende periode van uithuisplaatsing te benutten om onder begeleiding van de gezinsvoogd een passende zorgregeling te treffen, alvorens de hoofdverblijfplaats definitief bij de vader wordt vastgesteld.
De Raad voor de Kinderbescherming en de gezinsvoogd bevestigden het perspectief van het kind bij de vader en benadrukten het belang van duidelijkheid en hulpverlening. De rechtbank overwoog dat het belang van het kind, waaronder duidelijkheid over de woonplaats en goed contact met beide ouders, voorop staat. De beslissing voorkomt jaarlijkse procedures en biedt ruimte aan de moeder om een zorgregeling te ontwikkelen zonder een procedure tegen de vader te starten.
De rechtbank wees het verzoek van de vader toe, verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en bepaalde dat elke partij haar eigen proceskosten draagt.