Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
zaak A.
zaak B.
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten in beide zaken, met dien verstande dat in zaak A de primair ten laste gelegde poging tot doodslag bewezen kan worden;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, alsmede de ter beschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.
4.Waardering van het bewijs
bijlage IIheeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.
bijlage IIIheeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A primair ten laste gelegde heeft begaan.
maaltegen de arm te slaan met een ijzeren staaf.
5.Strafbaarheid feiten
6.Strafbaarheid verdachte
7.Motivering straf en maatregel
8.Vorderingen benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Bijlagen
11.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;
ter beschikking wordt gesteld;
van overheidswege wordt verpleegd;
[slachtoffer], te betalen een bedrag van
€ 5.555,- (zegge: vijfduizend vijf honderd en vijfenvijftig euro), bestaande uit € 555,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 15 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
[slachtoffer];
[slachtoffer]meer gevorderde (€ 2.500,-) dan is toegewezen ten aanzien van de immateriële schade;
[slachtoffer]niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (nader te onderbouwen schade € 2.500), bepaalt dat dit deel van de vordering slecht kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen
€ 5.555,- (hoofdsom,
zegge: vijfduizend vijfhonderd en vijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 5.555,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
62 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[slachtoffer], te betalen een bedrag van
€ 450 (zegge: vierhonderd en vijftig euro), aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf
9 mei 2024tot aan de dag der algehele voldoening;
[slachtoffer]meer gevorderde (€ 550,-) dan is toegewezen ten aanzien van de immateriële schade;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen
€ 450,-(hoofdsom,
zegge: vierhonderd en vijftig euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 450,- niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
9 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;