In deze zaak vordert de stichting eiseres dat de publiekrechtelijke rechtspersoon gedaagde het peuterbad van het zwembadcomplex zwemklaar stelt, vanwege lekkage en het belang van het peuterbad voor het familiezwembad. Tevens vordert eiseres een voorschot op schadevergoeding wegens omzetderving.
De bruikleenovereenkomst bepaalt dat gedaagde gebreken aan het geleende zwembad kan herstellen indien noodzakelijk voor het functioneren. Eiseres stelt dat het peuterbad essentieel is voor het aantrekken van jonge gezinnen en dat de sluiting omzetverlies veroorzaakt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het herstel noodzakelijk is of dat het zwembad zonder peuterbad niet functioneert. Ook is het causale verband tussen sluiting peuterbad en omzetderving niet bewezen, mede gezien wisselvallig weer en eerdere openstelling in 2023. De kosten voor herstel zijn aanzienlijk en gedaagde heeft een aanbestedingsprocedure nodig.
Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en uitgesproken op 17 april 2025.