ECLI:NL:RBROT:2025:5485
Rechtbank Rotterdam
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beslissing tot uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling wegens gewijzigde vreemdelingenstatus niet onredelijk
De veroordeelde is bij vonnis van 5 oktober 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar. Hij kwam in principe vanaf 10 juni 2024 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling, maar vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland werd dit uitgesteld. Op 7 maart 2025 besloot het Openbaar Ministerie het verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling opnieuw uit te stellen met maximaal 45 dagen, nadat de veroordeelde inmiddels een verblijfsvergunning had verkregen.
De veroordeelde maakte bezwaar tegen dit uitstel omdat hij van mening was dat de beslissing onredelijk was en hij hierdoor onnodig langer vastzat. Zijn raadsman stelde dat er eerder al rapporten en adviezen hadden moeten worden ingewonnen, aangezien een verblijfsvergunning werd verwacht. Tijdens de raadkamerzitting was een positief concept-reclasseringsrapport beschikbaar.
Het Openbaar Ministerie stelde dat pas op 5 maart 2025 duidelijk werd dat de veroordeelde rechtmatig verblijf had en dat daarna direct de noodzakelijke adviezen en rapporten zijn aangevraagd. Het uitstel van 45 dagen was redelijk en nodig om een inhoudelijke beslissing te kunnen nemen. De rechtbank oordeelde dat het OM in redelijkheid tot het uitstel heeft kunnen besluiten en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt ongegrond verklaard.