In deze kortgedingprocedure vordert eiser wedertewerkstelling en betaling van achterstallig loon. Eiser was sinds oktober 2023 in dienst als algemeen schoonmaker bij gedaagde op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigde op 2 april 2025. Vanaf februari 2025 werd eiser niet meer opgeroepen voor werkzaamheden.
De kantonrechter stelt vast dat de arbeidsovereenkomst niet eerder rechtsgeldig is beëindigd, omdat geen schriftelijke instemming of UWV-toestemming is gegeven en een ontslag op staande voet niet aannemelijk is. Daarom is de arbeidsovereenkomst per 2 april 2025 geëindigd.
De gevorderde wedertewerkstelling wordt afgewezen omdat het dienstverband inmiddels is geëindigd. Wel is gedaagde gehouden het achterstallige loon over februari tot en met 1 april 2025 te betalen, vermeerderd met een gematigde wettelijke verhoging van 15% en wettelijke rente. Tevens moet gedaagde gecorrigeerde loonspecificaties verstrekken en de proceskosten vergoeden.
De vordering tot betaling van €300 netto over januari 2025 wordt afgewezen omdat dit niet is onderbouwd en loonbetalingen over die maand reeds zijn gedaan, waarbij een lening is verrekend. De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.