Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[naam bedrijf],
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoeker];
- de door [verweerder] bij e-mail van 15 april 2025 overgelegde bijlagen;
- de door [verzoeker] bij e-mail van 21 april 2025 overgelegde bijlagen.
Rechtbank Rotterdam
De werknemer was sinds oktober 2023 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 2 april 2025. Vanaf februari 2025 werd de werknemer niet meer opgeroepen voor werkzaamheden, waarna hij stelde dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was gegeven vanwege het ontbreken van een dringende reden en onverwijlde mededeling.
De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake was van een ontslag op staande voet, maar dat het niet oproepen van de werknemer gelijkstaat aan een opzegging zonder geldige grond. De werkgever had het dienstverband niet rechtsgeldig kunnen beëindigen zonder toestemming van het UWV of de kantonrechter, wat niet is gebeurd. De arbeidsovereenkomst eindigde derhalve van rechtswege op 2 april 2025.
Het verzoek tot wedertewerkstelling wordt afgewezen omdat het dienstverband is geëindigd. Wel is de werkgever gehouden het loon over de periode van 1 februari tot en met 1 april 2025 te betalen, vermeerderd met een gematigde wettelijke verhoging van 15% en wettelijke rente. Daarnaast is de werkgever veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van €1.356,23 bruto met wettelijke rente. Ook moet de werkgever deugdelijke bruto/netto specificaties verstrekken. De proceskosten zijn voor rekening van de werkgever.
Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van loon, transitievergoeding en proceskosten.