Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
2.[gedaagde 2] ,
1.De procedure
- het tussen-/deelvonnis van 31 maart 2023 en de daarin genoemde stukken;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 22 december 2023;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 18 april 2024;
- de e-mail van de gemachtigde van [gedaagde 2] van 25 april 2024;
- de akte opgave verhinderdata en wijziging van eis van Sluis 2010 van 25 april 2024;
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 september 2024;
- de conclusie na enquête, tevens reactie op eisvermeerdering van [gedaagde 2] van 21 november 2024;
- de akte van Sluis 2010 van 19 december 2024.
2.De verdere beoordeling
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hoofdelijk veroordeeld om aan Sluis 2010 te betalen € 127,01 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 339,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punten) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.115,01. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De dagvaardingskosten bestaan uit € 125,03 voor het exploot en € 1,98 voor ‘verschotten BRP’, conform het ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geldende maximumtarief.
- [gedaagde 1] wordt daarnaast veroordeeld om aan Sluis te betalen € 15,50 vanwege de kosten van publicatie in de Staatscourant;
- [gedaagde 2] wordt daarnaast veroordeeld om aan Sluis 2010 te betalen € 847,50 aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten × € 339,-).