In deze zaak gaat het om de voortzetting van een onderhuurovereenkomst tussen Sluis 2010 B.V. en [gedaagde 2], nadat de hoofdhuurovereenkomst met [gedaagde 1] is ontbonden. De kern van het geschil betreft de hoogte van de huurprijs die [gedaagde 2] met [gedaagde 1] is overeengekomen. Sluis 2010 stelt dat dit €1.500 per maand is, terwijl [gedaagde 2] een bedrag van €740 per maand aanvoert.
De kantonrechter heeft het bewijs beoordeeld, waaronder getuigenverklaringen van betrokkenen, bankmutaties en een overzicht van contante betalingen. Uit deze stukken blijkt dat [gedaagde 2] naast de bankbetalingen ook contante betalingen heeft gedaan, wat de huurprijs van €1.500 per maand ondersteunt. De verklaring van [gedaagde 1] dat hij geen contante betalingen ontving, werd als ongeloofwaardig beoordeeld.
Op grond van deze bevindingen wordt [gedaagde 2] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand van €12.100 tot en met april 2024, en tot betaling van €1.500 per maand vanaf 1 mei 2024. Tevens wordt een termijn van één maand gegeven om de achterstand tot en met januari 2025 te voldoen, bij niet-naleving volgt ontbinding van de huurovereenkomst per 17 februari 2025 en ontruiming van het gehuurde.
De proceskosten worden hoofdelijk toegewezen aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waarbij het belang van Sluis 2010 zwaarder weegt dan dat van [gedaagde 2] om tegen een lager bedrag te blijven wonen.