Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:5594

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
10/321981-23
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 247 SrArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling ontuchtige handelingen wooncoach op verstandelijk beperkte cliënt

De rechtbank Rotterdam heeft op 15 april 2025 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die als assistent wooncoach werkzaam was bij een woon-zorg groep. De verdachte werd beschuldigd van twee feiten van ontuchtige handelingen met cliënten die verstandelijk beperkt zijn.

Voor het tweede feit, gepleegd in de periode juni 2017 tot juni 2023, oordeelde de rechtbank dat onvoldoende ondersteunend bewijs aanwezig was naast de verklaring van het veronderstelde slachtoffer, die niet werd ondersteund door objectieve bewijsmiddelen. De medewerkers die als auditu-getuigen optraden konden slechts verklaren wat zij van het slachtoffer hadden gehoord. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van dit feit.

Voor het eerste feit, gepleegd op 4 februari 2023, werd de verdachte wel schuldig bevonden. Het slachtoffer deed een gedetailleerde en betrouwbare verklaring, die werd ondersteund door verklaringen van medewerkers van het crisisteam. De verdachte had ontuchtige handelingen gepleegd door het slachtoffer, die aan zijn zorg was toevertrouwd en verstandelijk beperkt was, aan haar borsten en vagina aan te raken. De rechtbank legde een taakstraf van 150 uur op, waarbij de reclassering de invulling van de werkzaamheden bepaalt.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en de bijzondere verantwoordelijkheid van de verdachte als zorgverlener. De verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken van het feit waarop de schadevergoeding betrekking had.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, met D.F. Smulders als voorzitter en N.M. Ketelaar en J.A. Terstegge als rechters.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van het tweede feit en veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur voor het eerste ontuchtige feit.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/321981-23
Datum uitspraak: 15 april 2025
Tegenspraak (art. 279 Sv Pro)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
raadsvrouw mr. M.C. Kersemaekers-Schraven, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 april 2025.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.J. van Prooijen heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1, primair en 2, primair ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren met aftrek van voorarrest.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak (feit 2)
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De aangifte gedaan namens het slachtoffer wordt voldoende ondersteund door hetgeen dat door het slachtoffer zelf is verklaard in het studioverhoor. Het handelen van de verdachte betrof geen verzorgingshandeling.
4.1.2.
Beoordeling
Aan de verdachte is een zedendelict tenlastegelegd. Zedenzaken kenmerken zich vaak door het feit dat het gaat om twee personen: het veronderstelde slachtoffer dat aangifte heeft gedaan en de veronderstelde dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat vooral de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is echter de enkele verklaring van één getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Het procesdossier moet ander bewijsmateriaal bevatten dat de verklaring van het slachtoffer op specifieke punten ondersteunt.
In de aangifte, die door een medewerker van de woon-zorg groep namens het slachtoffer is gedaan, staat opgenomen dat medewerkers uit het niets te horen kregen dat het slachtoffer blij was dat de verdachte weg was, waarna zij verder verklaarde dat de verdachte aan haar borsten had gezeten terwijl zij onder de douche stond. Later, in het studioverhoor, heeft zij dit nogmaals verklaard. Zij heeft zich niet meer kunnen herinneren wanneer het incident (ongeveer) zou hebben plaatsgevonden, wat geleid heeft tot een ten laste gelegde periode van zes jaren. De verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het dossier onvoldoende ondersteunend bewijs voor de verklaring van het veronderstelde slachtoffer worden gevonden. De medewerkers van de woon-zorg groep kunnen (slechts) worden aangemerkt als zogenoemde ‘de auditu-getuigen’, ofwel ‘van horen zeggen’. Zij hebben verklaard over wat zij van het veronderstelde slachtoffer hebben gehoord. De bron van deze verklaringen blijft echter steeds het veronderstelde slachtoffer. In het procesdossier bevinden zich naast de aangifte en het studioverhoor geen andere (objectieve) bewijsmiddelen die de verklaring kunnen ondersteunen. De verklaring van het veronderstelde slachtoffer over de handelingen van verdachte vindt daarmee geen concrete steun in ander bewijsmateriaal.
4.1.3.
Conclusie
Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4.2.
Bewijswaardering (feit 1)
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om de verdachte te veroordelen aangezien het dossier onvoldoende steunbewijs bevat. Het dossier bevat als bewijsmiddel slechts de aangifte, gedaan namens het slachtoffer. De verklaring van de medewerkers kan niet gelden als bewijsmiddel nu zij geen strafbaar handelen van de verdachte hebben geconstateerd.
4.2.2.
Beoordeling
De verdachte was werkzaam op een van de woon-zorg groepen van [naam stichting]. In zijn functie als assistent wooncoach was hij verantwoordelijk voor de zorg van de bewoners. Het slachtoffer is cliënt/patiënt op de woongroep. Op 12 april 2023 wordt er namens het slachtoffer aangifte gedaan. In deze aangifte staat genoteerd dat twee medewerkers van het crisisteam op 4 februari 2023 op locatie bij de woon-zorg groep te Rotterdam Ommoord waren. Daar zagen zij op enig moment het slachtoffer op de bank liggen, met haar hoofd op de schoot van de verdachte, waarop zij vroegen of er een begeleider in de buurt was. Zij zagen dat het slachtoffer verdachte aanwees als haar begeleider. Een dag later hebben deze medewerkers dit gemeld bij een persoonlijk begeleidster van het slachtoffer, waarna deze begeleidster is gaan informeren bij het slachtoffer. Het slachtoffer werd hierbij direct emotioneel. Op 9 februari 2023 heeft er een taxatiegesprek plaatsgevonden. In dit taxatiegesprek heeft het slachtoffer verklaard dat zij op de bank lag en dat de verdachte naast haar kwam zitten en haar dekentje over hen heen legde. Hij heeft vervolgens gevraagd of het slachtoffer goed wilde gaan zitten, omdat hij graag naast haar wilde zitten. Nadat het slachtoffer eerst even naar haar kamer was gegaan, kwam zij op enig moment weer naast de verdachte zitten en hield zij zich klein. De verdachte heeft hierop het slachtoffer bij haar nek gepakt en haar naar hem toe getrokken, zodat zij met haar hoofd op zijn schoot kwam te liggen. Hij heeft haar dekentje over hen beiden heen gelegd. Het slachtoffer verklaart dat de verdachte vervolgens aan haar borsten en in haar onderbroek heeft gezeten wat zij niet oké vond. Daarna kwamen twee medewerkers van het crisisteam binnen die haar vroegen waar de begeleider was. Uiteindelijk is het slachtoffer weggerend naar haar kamer. De verdachte is geconfronteerd met hetgeen uit de aangifte en het taxatiegesprek naar voren is gekomen, maar heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen.
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte één of meerdere ontuchtige handelingen heeft verricht, waarbij het de vraag is of het procesdossier voldoende bewijs bevat dat de verklaring van het slachtoffer ondersteunt. Het relevante juridisch kader heeft de rechtbank reeds in rechtsoverweging 4.1.2 uiteengezet.
Het slachtoffer heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over het incident. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Deze verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door de verklaring van de medewerkers van het crisisteam van [naam stichting]. De verklaring van deze medewerkers komt overeen met de verklaring van het slachtoffer en zij verklaren op gedetailleerde punten hetzelfde. Dit maakt dat de rechtbank in haar oordeel uitgaat van de verklaring van het slachtoffer en dus dat de verdachte het slachtoffer heeft aangeraakt bij haar borsten en in haar onderbroek, wat de rechtbank begrijpt als het aanraken van de vagina.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of deze handeling van de verdachte kan worden aangemerkt als een ontuchtige handeling. Van ontucht is sprake als een handeling kan worden aangemerkt als een seksuele handeling die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Daarbij zijn de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld een (ongelijkwaardige) verhouding tussen de betrokken personen, van belang. Er is geen enkele twijfel dat er sprake is van het plegen van ontuchtige handelingen wanneer een wooncoach van een woon-zorg groep een aldaar wonend persoon, leidend aan een verstandelijke beperking, aanraakt aan haar borsten en aan haar vagina. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de verdachte ontuchtige handelingen met het slachtoffer heeft gepleegd, door haar op bovengenoemde plekken aan te raken.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij
op 4 februari 2023
te Rotterdam,
met [slachtoffer 1], van wie hij, verdachte, wist dat deze aan een zodanige verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was
haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te
bieden,
ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het plaatsen en houden van zijn hand(en) op de borst(en) en op de vagina van die [slachtoffer 1], terwijl
verdachte en die [slachtoffer 1] (gedeeltelijk) onder een deken op een bank zaten;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
Feit 1, primair:
met iemand van wie hij weet dat zij aan een verstandelijke handicap lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, ontuchtige handelingen plegen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde cliënt/patiënt. Hij heeft daarmee schaamteloos misbruik gemaakt van de positie waarin hij zich verkeerde ten opzichte van deze kwetsbare persoon. Hij heeft zich als zorgverlener schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht. De relatie tussen verdachte als wooncoach en de aan zijn zorg toevertrouwde cliënt/patiënt schept voor de verdachte een bijzondere verantwoordelijkheid. De verdachte had zich met zijn kennis van de beperkingen van het slachtoffer, en gezien zijn werkervaring in de maatschappelijke zorg, van de kwetsbaarheid van het slachtoffer bewust moeten zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 maart 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.3.2.
Rapportages
Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 april 2024. Dit rapport houdt – kort gezegd en voor zover relevant – het volgende in.
De reclassering heeft weinig zicht gekregen op de persoonlijke situatie van de verdachte. Van de verdachte is bekend dat hij zonder ouders is opgegroeid, een eigen 'inrichtingsverleden' zou hebben en in november 2023 samenwoonde met zijn partner en dochter van enkele maanden oud. Daarnaast is bekend dat de verdachte in loondienst werkzaam was bij [naam stichting] als assistent wooncoach, dat hij daar circa zes jaren heeft gewerkt en dat door onderhavige kwestie in juni 2023 zijn contract daar is beëindigd.
Omdat de verdachte geen contact heeft gehad met de reclassering en er nagenoeg geen zicht is gekomen op het tenlastegelegde en/of op zijn verdere persoonlijke omstandigheden was het voor de reclassering niet mogelijk om een concreet advies op te stellen. Niettemin acht de reclassering het gedrag van de verdachte zorgelijk en acht zij het tevens zorgelijk dat er op dit moment geen zicht is op het gedrag van de verdachte en/of op eventuele hieraan ten grondslag liggende (seksuele) problematiek. Derhalve geeft de reclassering de rechtbank in overweging om de verdachte bij veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen, gekoppeld aan een proeftijd en enkele bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafsoort en strafmaat acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van het hierna te noemen aantal uren passend en geboden. Anders dan door de reclassering geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij], ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.500,- aan immateriële schade.
8.1.
Beoordeling
De [benadeelde partij] zal in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van het feit ten aanzien waarvan schadevergoeding wordt gevorderd.
Nu de benadeelde partij in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal zij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.
8.2.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren,waarbij de reclassering dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
75 (vijfenzeventig) dagen;
verklaart de [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering;
bepaalt dat de [benadeelde partij] de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de [benadeelde partij] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.F. Smulders voorzitter,
en mrs. N.M. Ketelaar en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij
op of omstreeks 4 februari 2023
te Rotterdam,
met [slachtoffer 1], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van
bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening
en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer 1] niet of onvolkomen in staat was
haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te
bieden,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het plaatsen en/of
houden van zijn hand(en) op de borst(en) en op de vagina van die [slachtoffer 1], terwijl
verdachte en die [slachtoffer 1] (gedeeltelijk) onder een deken op een bank zaten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij
op of omstreeks 4 februari 2023
te Rotterdam,
terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, bij
[naam stichting], [locatie 1],
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1], die zich als patiënt en/of cliënt aan
verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
door bij die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, hand(en) te plaatsen op de borst(en) en op de
vagina van die [slachtoffer 1], terwijl [slachtoffer 1] en verdachte samen (gedeeltelijk) onder een
deken op een bank bevonden;
2
hij
op een moment in of omstreeks de periode 01 juni 2017 tot 01 juni 2023
te Rotterdam,
met [slachtoffer 2], van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van
bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening
en/of verstandelijke handicap leed dat die [slachtoffer 2] niet of onvolkomen in staat was
haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te
bieden,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het plaatsen en/of
houden van zijn hand(en) op de borst(en) van die [slachtoffer 2] en/of vervolgens hierin
te knijpen, terwijl die [slachtoffer 2] onder de douche stond, althans zich in de
doucheruimte bevond;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij
op een moment in of omstreeks de periode 01 juni 2017 tot 01 juni 2023
te Rotterdam,
terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, bij de
[naam stichting], [locatie 2],
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2], die zich als patiënt en/of cliënt aan
verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,
door bij die [slachtoffer 2] zijn, verdachtes, hand(en) te plaatsen op de borst(en) van die
[slachtoffer 2] en/of vervolgens in die borst(en) te knijpen, terwijl die [slachtoffer 2] zich
onder de douche, althans in de doucheruimte bevond;