In deze civiele procedure vordert eiser vergoeding van kosten die hij heeft moeten maken omdat gedaagde, de werkgever van de schuldenaar, niet tijdig een verklaring verstrekte na loonbeslaglegging. Eiser had op 13 mei 2024 beslag gelegd op het loon van schuldenaar bij gedaagde. Gedaagde stelde dat zij de verklaring reeds op 29 januari 2024 had verstrekt, maar dit formulier kon niet als de vereiste verklaring worden beschouwd omdat het vóór het beslag was verzonden en niet voldeed aan artikel 476a lid 1 Rv.
Eiser trok zijn oorspronkelijke geldvordering in, maar handhaafde de eis tot vergoeding van € 1.512,50 aan nodeloos gemaakte kosten en proceskosten. Gedaagde betwistte de vordering en stelde dat eiser misbruik van procesrecht maakte. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde pas op 17 september 2024 een deugdelijke verklaring had verstrekt en dat de eerdere communicatie onvoldoende was.
De kantonrechter wees het verweer van gedaagde af dat zij de verklaring al op 27 mei 2024 had verstrekt, omdat dit verweer te laat en onvoldoende onderbouwd was. De kosten die eiser heeft gemaakt om de verklaring te verkrijgen, werden als redelijk en noodzakelijk beoordeeld. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 880,- aan buitengerechtelijke kosten en € 1.334,42 aan proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.