Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van zijn huurwoning te schorsen. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege het vonnis tot ontruiming en de geplande executie.
De rechtbank weegt het belang van verzoeker, die in zijn woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject wil doorlopen, tegen het belang van verweerster, die het vonnis wil uitvoeren. Gezien de tijdige betaling van de huurtermijn van april 2025 en de aankondiging van beschermingsbewind, acht de rechtbank het aannemelijk dat lopende huurtermijnen zullen worden voldaan.
Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen met de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden betaald. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het lopende minnelijk traject. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.