Verzoeker diende op 25 oktober 2024 een nieuw verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, kort na beëindiging van een eerdere regeling wegens een boedelachterstand van circa €23.000,--. De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het verzoek en stelde vast dat de bijgevoegde 285-verklaring niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat er geen recente poging tot buitengerechtelijke schuldregeling was gedaan en de verklaring slechts een hernieuwde ondertekening van een oude verklaring betrof.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker niet te goeder trouw was geweest in het onbetaald laten van schulden in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, mede gezien de omvangrijke tekortkoming in de eerdere regeling en het ontbreken van reserveringen voor schuldeisers na beëindiging daarvan. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat er geen aantoonbare en bestendige verbetering was gebleken.
Hoewel verzoeker een fulltime baan met afloscapaciteit heeft gevonden, achtte de rechtbank dit onvoldoende om het verzoek toe te wijzen. De rechtbank adviseerde verzoeker een strikt budget- en reserveringsplan op te stellen en eventueel een minnelijk voorstel te doen aan schuldeisers. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en zou bij inhoudelijke beoordeling ook zijn afgewezen.