Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2025:5654

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
C/10/695395 / JE RK 25-440 en C/10/695333 / JE RK 25-430
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 1:265h BWArt. 7:446 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing met vervangende toestemming medische behandeling minderjarige

De zaak betreft een verzoek van een gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, alsmede een verzoek tot vervangende toestemming voor medische behandeling in de vorm van speltherapie. De minderjarige verblijft in een pleeggezin en wordt bedreigd in haar ontwikkeling door gebeurtenissen uit het verleden. De moeder is nauwelijks betrokken en niet bereikbaar, waardoor terugplaatsing niet aan de orde is. De vader is meer betrokken en de bezoekmomenten worden uitgebreid.

De kinderrechter stelt vast dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI wil passende hulpverlening inzetten, waaronder speltherapie vanuit een GGZ-instelling, waarvoor vervangende toestemming nodig is omdat de moeder geen toestemming verleent. De kinderrechter kwalificeert de speltherapie als medische behandeling gericht op het verwerken van trauma's en verleent de vervangende toestemming.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geldt direct, ook bij hoger beroep. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 21 april 2026. Het vonnis is gegeven op 1 april 2025 en op schrift gesteld op 11 april 2025.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en verleent vervangende toestemming voor speltherapie.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/695395 / JE RK 25-440 en C/10/695333 / JE RK 25-430
Datum uitspraak: 1 april 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vervangende toestemming medische behandeling
in de zaken van
de [gecertificeerde instelling],
hierna te noemen: de GI, gevestigd te [plaats 1] ,
over
[minderjarige],
geboren op [datum] 2018 in [plaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 februari 2025, ontvangen op 3 maart 2025, ingeschreven onder zaaknummer C/10/695395 / JE RK 25-440;
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 februari 2025, ontvangen op 3 maart 2025, ingeschreven onder zaaknummer C/10/695333 / JE RK 25-430.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 april 2025. Daarbij waren aanwezig:
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 12 april 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 21 april 2025.
2.4.
Bij beschikking van 12 december 2024 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van [minderjarige] verleend tot 21 april 2025.

3.De verzoeken

Het verzoek met zaaknummer C/10/695395 / JE RK 25-440
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. de GI verzoekt tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar.
Het verzoek met zaaknummer C/10/695333 / JE RK 25-430
3.2.
De GI verzoekt vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke medische behandeling van [minderjarige] .

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het verzoek met zaaknummer C/10/695395 / JE RK 25-440 tijdens de mondelinge behandeling en verduidelijkt het verzoek met zaaknummer C/10/695333 / JE RK 25-430, in die zin dat wordt verzocht vervangende toestemming te verlenen voor de noodzakelijke medische behandeling van [minderjarige] , specifiek voor de inzet van speltherapie vanuit [GGZ] . De GI licht dit als volgt toe.
4.2.
De moeder is niet gemotiveerd om mee te werken aan de inzet en de betrokkenheid van hulpverlening. Daarbij is de moeder de afgelopen periode nauwelijks totniet bereikbaar geweest voor de GI, maar ook voor haar dochters. Hier hebben zij veel last van. Een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is daarom niet aan de orde. De vader van [minderjarige] is de afgelopen periode wel meer betrokken geweest. De bezoekmomenten tussen [minderjarige] en de vader zijn uitgebreid en er is een plan opgesteld om deze bezoekmomenten in de toekomst nog verder uit te breiden. De vader heeft aangegeven dat hij in de toekomst graag volledig voor [minderjarige] zou willen zorgen. Het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin verloopt overwegend positief. Wel vertoont zij zorgelijk gedrag richting de andere kinderen binnen het pleeggezin. [minderjarige] lijkt veel last te ervaren van gebeurtenissen uit het verleden. Het is van belang dat voor [minderjarige] passende hulpverlening kan worden ingezet, om haar trauma’s te verwerken. Zij is aangemeld voor speltherapie vanuit [GGZ] . Hiertoe is vervangende toestemming nodig, nu de moeder geen toestemming verleent. Gelet op de huidige situatie omtrent de moeder, is de GI voornemens om de aankomende periode stappen te ondernemen richting het beëindigen van haar gezag.

5.De beoordeling

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De moeder is, sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] , zeer slecht te bereiken voor de GI. Zij is zelden aanwezig bij de begeleide bezoeken en komt haar afspraken niet na. Daarbij komt de inzet van hulpverlening voor de moeder, ondanks meerdere pogingen van de GI, niet van de grond. [minderjarige] heeft hier veel verdriet van. Ook heeft zij last van de gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden. De vader is inmiddels wel meer betrokken bij [minderjarige] . De bezoekmomenten zijn de afgelopen periode uitgebreid en zullen de aankomende periode nog verder worden uitgebreid. Gelet op de bestaande zorgen is een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet aan de orde. De betrokkenheid van de GI is de aankomende periode nog van belang, om passende hulpverlening voor haar in te zetten en de opbouw van de bezoekmomenten tussen [minderjarige] en de vader te monitoren.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] daarom verlengen voor de duur van een jaar. [2]
Ten aanzien van de vervangende toestemming medische behandeling
5.3.
De kinderrechter kan vervangende toestemming verlenen voor de medische behandeling van een minderjarige jonger dan twaalf jaar, indien behandeling noodzakelijk is om ernstig gevaar voor de gezondheid van de minderjarige af te wenden en de ouder die het gezag uitoefent zijn toestemming daarvoor weigert. [3]
5.4.
De wettelijke beschrijving van het begrip ‘medische behandeling’ is te vinden in artikel 7:446, tweede lid, BW, en luidt als volgt:
a. alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen -rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen;
b. andere dan de onder a bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon, die worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid.
5.5.
De kinderrechter is van oordeel dat de speltherapie vanuit [GGZ] kan worden aangemerkt als een medische behandeling, nu deze behandeling is gericht op de aanpak van persoonlijke problematiek, meer specifiek op het verbeteren van de geestelijke gezondheid van [minderjarige] door gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. De inzet van deze behandeling is voor [minderjarige] noodzakelijk, omdat er bij haar sprake is van acuut trauma en symptomen die niet langer zonder behandeling voort kunnen duren. De kinderrechter zal daarom de vervangende toestemming voor de medische behandeling, specifiek voor de inzet van speltherapie vanuit [GGZ] , verlenen.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/695395 / JE RK 25-440
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 21 april 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 21 april 2026;
Ten aanzien van het verzoek met zaaknummer C/10/695333 / JE RK 25-430
6.3.
verleent vervangende toestemming voor een medische behandeling van [minderjarige] , inhoudende de speltherapie vanuit [GGZ] ;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2025 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 11 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
2.Artikel 1:260, eerste lid, BW.
3.Artikel 1:265h BW.