De zaak betreft een verzoek van een gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, alsmede een verzoek tot vervangende toestemming voor medische behandeling in de vorm van speltherapie. De minderjarige verblijft in een pleeggezin en wordt bedreigd in haar ontwikkeling door gebeurtenissen uit het verleden. De moeder is nauwelijks betrokken en niet bereikbaar, waardoor terugplaatsing niet aan de orde is. De vader is meer betrokken en de bezoekmomenten worden uitgebreid.
De kinderrechter stelt vast dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI wil passende hulpverlening inzetten, waaronder speltherapie vanuit een GGZ-instelling, waarvoor vervangende toestemming nodig is omdat de moeder geen toestemming verleent. De kinderrechter kwalificeert de speltherapie als medische behandeling gericht op het verwerken van trauma's en verleent de vervangende toestemming.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en geldt direct, ook bij hoger beroep. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 21 april 2026. Het vonnis is gegeven op 1 april 2025 en op schrift gesteld op 11 april 2025.