De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing in een woning te Rotterdam op of omstreeks 12 december 2022. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 42 maanden.
In het onderzoek werden onder meer een schoen en tape met het DNA van de verdachte gevonden op 200 à 300 meter van de plaats delict, naast camerabeelden en een aangifte. De rechtbank oordeelde echter dat deze bewijzen onvoldoende waren om vast te stellen dat de verdachte daadwerkelijk de ontploffing had veroorzaakt of daarbij betrokken was.
De enkele aanwezigheid van DNA op voorwerpen in de nabijheid van de plaats delict kon niet leiden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Er waren geen andere bewijsmiddelen die de verdachte direct koppelden aan de explosie.
De rechtbank sprak de verdachte daarom vrij van het ten laste gelegde, waarbij het gevaar voor goederen en personen in het pand werd erkend, maar niet bewezen kon worden dat de verdachte dit had veroorzaakt.