Eiser, gedupeerde van de toeslagenaffaire, diende een aanvraag in voor overname van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister van Financiën wees deze aanvraag gedeeltelijk af met een besluit van 13 maart 2023. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
Eiser stelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was omdat hij door de grote hoeveelheid documenten niet duidelijk kon zien dat het besluit een bezwaarprocedure mogelijk maakte. Ook voerde hij aan dat het bezwaarschrift als herzieningsverzoek op grond van artikel 21a Awir moest worden beschouwd en dat hij ten onrechte niet was gehoord.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde omdat het bezwaarschrift pas na de termijn van zes weken was ingediend. De omstandigheden rechtvaardigden geen verschoonbaarheid. Verder was de minister niet bevoegd tot ambtshalve beoordeling of herziening van het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.