AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Betaling premieachterstand zorgverzekering en incassokosten toegewezen
De zaak betreft een geschil tussen zorgverzekeraar DSW en een gedaagde die een zorgverzekeringsovereenkomst heeft gesloten. DSW vordert betaling van een premieachterstand van €175,25, inclusief rente en incassokosten, omdat de gedaagde niet tijdig heeft betaald. De gedaagde betoogt dat hij een betalingsregeling heeft getroffen die ook deze vordering zou omvatten.
De kantonrechter oordeelt dat de betalingsregeling slechts betrekking had op de maanden mei, juni, augustus en september 2024, terwijl de vordering over juli 2024 gaat. DSW heeft bovendien aangetoond dat de achterstand over juli 2024 al was uitbesteed aan een deurwaarderskantoor voordat de regeling werd bevestigd. De gedaagde mocht er daarom niet op vertrouwen dat deze vordering onderdeel was van de regeling.
De incassokosten van €48,40 worden toegekend op grond van artikel 6:96 BWPro, en de wettelijke rente wordt toegewezen omdat deze niet is betwist. De proceskosten van in totaal €372,39 komen voor rekening van de gedaagde. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is gewezen door kantonrechter W.J.J. Wetzels.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van premieachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,
tegen
[gedaagde],
wonende te Vlaardingen,
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
Partijen worden hierna ‘DSW’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
1.De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 december 2024, met bijlage;
de antwoorden, met bijlage;
de repliek.
1.2.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om op de conclusie van repliek te reageren. De kantonrechter heeft de zaak in verband daarmee verwezen naar de rolzitting van dinsdag 1 april 2025 om 11.30 uur. Op die rolzitting is [gedaagde] echter niet meer verschenen, terwijl hij evenmin schriftelijk heeft gereageerd of om verdere aanhouding van de zitting heeft verzocht.
1.3.
De kantonrechter heeft daarop vonnis bepaald in de zaak.
2.De beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft met DSW een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. [gedaagde] moet voor deze verzekering iedere maand premie betalen. DSW stelt dat [gedaagde] met tijdige betaling van de verschuldigde premie in gebreke is gebleven en zij vordert een bedrag van € 227,99, inclusief rente en kosten. Daarnaast vordert DSW dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.2.
[gedaagde] stelt dat hij een betalingsregeling heeft gesloten met DSW voor de vordering. Hij is ervan uitgegaan dat ook de vordering die onderwerp vormt van deze procedure meegenomen zou worden in die betalingsregeling en hij begrijpt niet waarom hij voor die vordering afzonderlijk is gedagvaard.
2.3.
De kantonrechter wijst de vorderingen van DSW toe. Hieronder wordt dit uitgelegd.
[gedaagde] moet de premieachterstand van € 175,25 betalen
2.4.
[gedaagde] moet de achterstallige premie van € 175,25 betalen. DSW heeft voldoende gesteld dat [gedaagde] de premie had moeten betalen, maar deze betalingen niet (tijdig) zijn voldaan. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat deze vordering valt onder de betalingsregeling die per brief van 30 oktober 2024 aan hem is bevestigd. In deze brief wordt aan [gedaagde] bevestigd dat hij een regeling heeft gesloten voor de premie verschuldigd over de maanden mei, juni, augustus en september van 2024. De vordering in deze procedure heeft echter betrekking op de premie over de maand juli 2024.
2.5.
[gedaagde] heeft er naar het oordeel van de kantonrechter ook niet op mogen vertrouwen dat de vordering over de maand juli 2024 onderdeel uitmaakte van de betalingsregeling die hij heeft gesloten met DSW. DSW heeft namelijk bij repliek gesteld dat zij [gedaagde] heeft doorverwezen naar de Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders om ook een betalingsregeling te treffen voor de achterstand over de maand juli 2024. DSW heeft daarbij toegelicht dat zij de vordering ten aanzien van de premie over de maand juli 2024 al op 24 september 2024 uit handen heeft gegeven aan het deurwaarderskantoor LAVG, terwijl de betalingsregeling met [gedaagde] ten aanzien van de vier andere hiervoor genoemde maanden pas op 30 oktober 2024 getroffen is. Om die reden heeft DSW [gedaagde] naar het deurwaarderskantoor verwezen zodat hij ook voor de achterstallige premie over de maand juli 2024 een regeling kon treffen. [gedaagde] heeft dat kennelijk nagelaten en heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nog te reageren op de nadere stellingen van DSW in de conclusie van repliek. [gedaagde] had er des te minder op mogen vertrouwen dat ook de achterstand over de maand juli 2024 begrepen was in de betalingsregeling aangezien die maand niet genoemd wordt in de bevestiging van de betalingsregeling gedateerd 30 oktober 2024.
[gedaagde] moet incassokosten van € 48,40 betalen
2.6.
De incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BWPro).
[gedaagde] moet rente betalen
2.7.
De rente wordt toegewezen, omdat DSW genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Tot 7 november 2024 was de rente € 4,34.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.8.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 RvPro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan DSW moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 135,00 aan griffierecht, € 80,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 40,00) en € 20,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 372,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.9.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 RvPro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3.De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen € 227,99 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BWPro over een bedrag van € 175,25 vanaf 7 november 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden begroot op € 372,39;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.