ECLI:NL:RBROT:2025:597
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen niet-ontvankelijkheid WOZ-beschikking afgewezen door rechtbank Rotterdam
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op € 491.000,- per 1 januari 2021, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting 2022. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Eiser stelde dat hij niet in de gelegenheid was gesteld zijn verzuim te herstellen en dat de datum van ontvangst van het bezwaarschrift onduidelijk was.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaarschrift pas op 24 maart 2023 is ontvangen, ruim na de termijn die eindigde op 14 maart 2022. Er is geen wettelijke verplichting voor de heffingsambtenaar om enveloppen te bewaren om de ontvangstdatum te verifiëren. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bezwaar tijdig is ingediend.
De rechtbank behandelt de inhoudelijke gronden van het bezwaar ter zitting, maar acht deze onvoldoende onderbouwd en niet gericht tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens een te lange procedure wordt afgewezen omdat de redelijke termijn niet is overschreden.
De uitspraak is gedaan door rechter C. Vogtschmidt en griffier S. de Bloois op 17 januari 2025. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.